donderdag 7 maart 2019

How strong is the German 'nein'?

The German government has extended its policy to not grant export permissions for military products for countries participating in the Yemen war to the end of March. Chancellor Angela Merkel tried to relax the strict rules and said they could be reconsidered. The Social Democrats of the SPD however, also part of the German government, and forced by the electorate to stick to a restrictive arms export policy, stood strong against internal and external pressure.

The Times suggested the German policy might sink the flagship Franco-German Aachen Treaty on defence and foreign policy co-operation. The French Minister of the Economy and Finance Le Maire told Die Welt am Sontag that common arms production with Germany is useless when there are constraints on export possibilities. It will make the arms noncompetitive on the international market. He urged Germany to get off the high moral ground: “If they want to protect their people, they need defense, a strong army and, from an economic point of view, more innovation, more investment, more protection.” During the negotiations for the Aachen Treaty “French threats were so flagrant that some negotiators for the German government seriously feared toward the end of the year that the entire agreement could crumble because of the dispute,” according to Der Spiegel.

Also UK Foreign Secretary Jeremy Hunt wrote in a letter to be “very concerned about the impact of the German government’s decision on the British and European defence industry and the consequences for Europe’s ability to fulfill its NATO commitments.” He mentioned the enormous (probably overstated) number of 500 UK arms suppliers who risk breaching contractual obligations, because of the German ban on components for Saudi Arabia. The Saudi Kingdom is the largest defence market outside NATO and a focus for UK arms exports. The UK asked the Germans to exempt the Tornado and Eurofighter Typhoon from the restrictive measures. International weapon producers–such as Airbus and missile producer MBDA have threatened to start producing weapons without any German tech.

Because of French pressure, the Aachen Treaty got a 'secret' annex for common defence production, of which a draft is currently fine tuned. Military magazine Defense News mentioned the annex as “a key vehicle” for France and Germany to come together. The text states:

a) on major programs that “the parties will not oppose a transfer or export to a third country proposed by one of the cooperating States, except on an exceptional basis, where their direct interests or national security are compromised ”;
b) on cooperative defence products and the export of components a similar exception is given, also referring to 'direct interests' and 'national security,' which is multi-interpretable; and
c) on products developed and produced by a manufacturer from one state and incorporated into a system of the other the text states: “so long as the portion of the activity of the manufacturers of one State in the defence systems transferred or exported by the other State remains below a percentage jointly determined beforehand, the Party will issue the respective export authorizations without delay.”French blog speculates this percentage may be a value of 20 percent of the weapon system, but leaking this figure is probably part of the negotiation process and a desire in Paris. Whatever the percentage will be, clear is that it hands component control partially over to the other party.
Still there is German defence equipment in use by coalition troops in the Yemen war in air, on land and at sea. A joint effort of German press entities, together with Lighthouse Reports, gives an overview of weapons used by the UAE and Saudi armed forces. It shows for example Germany continued to supply Riyadh with components for fighter jets via the UK, although it was obvious the aircraft were operated over Yemen.

Moreover, in the German government it is still not a given fact the ban will continue. Merkel’s Conservatives, keen to smooth the rift with France and Britain, are piling pressure on the SPD by accusing them of jeopardising German industry and jobs, as press agency Reuters reports. In the week following the prolongation of the ban, it was speculated the freeze on the transfer of patrol boats and even the Meteor missiles may be lifted.

There are also others in the EU/NATO military industry cooperation complex. Of the Dutch military exports, 70 per cent of the licenses concern components to be assembled abroad out of sight of the Dutch parliament. A very timely resolution (22054-306), urging to make the real end use of Dutch military exports public, got only one third of Parliamentary votes and was thus not adopted. Dutch components end up in KSA coalition countries as well. But The Hague has a less strict policy on components when they go to allies like Berlin. Successive Dutch governments choose to leave export control for components to the other EU-members, who are supposed have the same arms export policy as the Netherlands.

But is that so? In the annex to the Aachen Treaty it is stated France and Germany will comply “with common European and international commitments.” But what does this mean? The Arms Trade Treaty, the EU arms export policy, national regulations and restrictions are enough for some EU governments to withhold arms to Riyadh, while others let foreign, economic and military policy prevail. The paperwork is there, it is the interpretation which fails to be in the interest of the high moral ground. It is not the German nein, but the French oui, and the UK yes which are the problem.

MB 07/03/2019

With thanks to Otfried Nassauer of BITS for his information and comments on the proceedings of German arms trade policy of the past weeks.
Geschreven voor Stop Wapenhandel

zaterdag 2 maart 2019

VS versus China: boter of kanonnen?

Een gekleurd relaas over ideologie, media, diplomatie en wapens, maar ook over de bondgenootschappen van gisteren en van morgen. Historicus Jude Woodward verdedigt China en valt de VS aan.

door Martin Broek

De Verenigde Staten is in Azië aanwezig alsof dat de regel is. De Britse historicus Jude Woodward beschrijft in haar boek Amerika tegen China waarom de VS deze positie zo gewoon vindt. Maar ze analyseert vooral de Chinese economische macht die een einde zal maken aan de Amerikaanse overheersing van Azië. Aziatische landen zullen eieren voor hun geld kiezen. Liever moeizame relaties met de grote buur, dan met een tanende militaire macht. 

Tekst loopt door onder foto
F-35 onderhoudsles aan boord van het landingsschip USS Essex (LHD-2).

In de westerse media is het omgekeerde gebruikelijker. China is een gevaar voor onze welvaart en waarden, zo start het Belgische tv-programma Nachtwacht bijvoorbeeld. Het is de mediagenieke geostrateeg Jonathan Holslag die deze stelling verdedigt. Lopen we in de val van een autoritair regime, vraagt de redactie zich af.

Hylke Vandenbussche, hoofd van de Onderzoeksgroep Internationale Economie van de Universiteit Leuven, typeert de woorden van Holslag als angst en paniek zaaien. Ze zegt dat dit eerder rond Japan gebeurde. “Het is niet het eerste gele gevaar waarvoor we gewaarschuwd worden?”, vraagt de gespreksleider dan weinig kies.

Koude Oorlog?

Jude Woodward schreef het boek met als ondertitel De nieuwe Koude Oorlog? Je zou bijna denken dat die aan de horizon opdoemt als je kijkt naar een tv-programma als Nachtwacht. De ander wegzetten als (geel) gevaar maakt immers onderdeel uit van de strijd om de wereldmacht. Hoe goed een tegenwicht ook is, het boek lees ik met gemengde gevoelens. Woodward stelt veel vragen die gesteld moeten worden. Tegelijkertijd heb ik regelmatig het idee dat ik een werk lees uit de school van de Chinese propaganda.

Het focussen op machtspolitieke ontwikkelingen betekent dat mensen die zoeken naar mensenrechten er bekaaid vanaf komen. Zo'n keuze valt te begrijpen. Het boek gaat over machtsverhoudingen, niet over mensenrechten. Pijnlijk is dat daar waar wel over mensenrechten wordt gesproken het vooral is om te laten zien hoe de slachtoffers middelen zijn in de handen van de Verenigde Staten, zoals bij steunbetuigingen voor studenten op het Tiananmenplein (plein van de Hemelse Vrede) in Peking, het oprakelen van Free Tibet, en de protesten tegen het bestrijden van terroristische groepen in Xinjiang die banden hebben met Al-Qaida.

De demonstraties in Hong Kong van 2014 worden afgedaan als door de westerse media opgeklopte opwinding. Dat China het niet zo heeft op democratische bewegingen wordt als een neutraal gegeven vermeld, want de Chinese overheid bemoeid zich immers ook niet met binnenlandse zaken van andere landen. Woodward draait niet om de hete brei heen maar je vraagt je af of ze de brei wel heet vindt.

In het boek maakt de schrijfster een denkbeeldige reis door de landen die rondom China liggen, zoals die in Centraal-Azië, Zuidoost-Azië, Japan, de Korea's, Taiwan, Australië, India, ze staat wat langer stil bij Moskou. Ze beschouwt de economische, diplomatieke en militaire relaties van Washington en Beijing in die landen.

De economische relaties worden aangetoond met veel cijfers voor import en export en voor buitenlandse investeringen (die hadden overzichtelijker in een tabel kunnen staan). De cijfers tonen dat China overal sterke economische relaties aanknoopt en zo invloed verwerft. De diplomatieke relaties van China gaan uit van economische samenwerking en beogen een win-winsituatie.

Europa, de VS en Rusland

Zo'n rondreis is een heldere en interessante manier om naar een groot land als China te kijken. Opmerkelijk zijn de minimale bezoeken aan de Europese Unie gedurende deze reis. Op een zoektocht naar macht is die in het verdeelde Europa misschien nauwelijks te vinden. De 28 lidstaten van de EU vormen samen de grootste economie van de wereld, groter dan die van de VS en China.

De EU wordt wel genoemd als belangrijke handelspartner van China, ver voor Rusland en India, landen die veel meer aandacht krijgen in het boek. Rusland lijkt gewonnen als stevige bondgenoot voor China tegen de VS, en India wordt dat mogelijk ook wat meer. New Delhi onthield zich bijvoorbeeld van stemming in de VN toen Rusland in 2014 werd veroordeeld vanwege de inlijving van de Krim. Maar het opbouwen van een stevige relatie met Europa zou belangrijker kunnen zijn. Voorlopig haalt China daar nog veel van zijn kennis (zie ook mijn eerdere bijdrage op Broekstukken over dual use export).

De Europese landen spelen wel een rol als bondgenoot van de VS en om de verslechterde relatie aan te geven. Woodward: “Angela Merkel, anders dan andere westerse leiders, besefte al snel dat de dreigementen van Trump en zijn adviseurs tegen Duitsland en de EU geen holle woorden waren, maar een gevaarlijke desintegrerende kracht in Europa.”

Ook Engeland komt aan bod omdat het steun gaf aan de grotendeels door China gefinancierde Asia Infrastructure Investment Bank (AIIB). De VS zag als hoeder van de internationale economische orde de 'onafhankelijke' internationale ontwikkelingsbank als aantasting van die positie. De Britten wilden echter dat de City het belangrijkste entrepot voor de opkomende Chinese munt, de renminbi, zou blijven. Die inzet ging boven de goede relaties met Washington.

Ook de afwezigheid van Europa valt te billijken. Het boek gaat over de verhouding tussen de VS en China en de dans om de macht. Maar hier ligt juist de reden voor het gemis. Welke rol zou Europa kunnen spelen in dit bal der grootmachten? Wat zou daarvoor moeten veranderen? Is een verdere Europese militarisering noodzaak? Zou een model voor samenwerking gevonden kunnen worden?

Deze materie komt nauwelijks aan bod. Behalve een terloopse opmerking dat Trump met zijn agressieve handelsbeleid de band tussen China en Europa wel eens sterker kan maken. Hier ligt een schat aan argumenten voor Woodward's theorie dat China de overhand krijgt door economische samenwerking boven de militaire samenwerking die de VS biedt. Het is een akker die ze braak laat liggen.

Marco Poloroute

Is Europa in staat een eigen Marco Poloroute naar het Oosten op te zetten, zoals China investeert in zijn handelsroute van oost naar west, het zogenaamde Belt and Road Initiative (BRI)? Kunnen die twee elkaar versterken? Chinese bedrijven willen investeren, waar anderen het risico te groot achten. Als de investeringen de positie van China verbeteren dan staat er een machtige overheid achter de bedrijven. Dat maakt het nemen van risico's wat eenvoudiger.

Het niet volgen van de vrije markt route geeft ze een voorsprong ten opzichte van een kapitalistische wereld die juist controle uit handen heeft gegeven. Wat kan Brussel behalve de strategische delen van de Europese economie beter afschermen? Kan het samen met of naast China een eigen economische positie opbouwen?

Het economisch veel kleinere Rusland heeft een veel prominentere rol in het boek. Het is een bondgenoot die China een stuk sterker maakt als Euraziatische macht. Wil de VS China de loef afsteken dan moet ze Moskou losweken van Beijing. Voorlopig is de beweging al weer jaren de andere kant op. Het opschuiven van de NAVO, het embargo na de inlijving van de Krim en de treurige implosie van Rusland na de val van de Sovjet-Unie hebben het land niet alleen dichter bij China gebracht, het is ook een geschiedenis die door China als waarschuwing wordt gezien.

De fout van Gorbatsjov en Jeltsin, die het land in chaos deed storten waarbij hulp uit het Westen een fata morgana bleek, wil de Chinese Communistische Partij niet herhalen. Met wie Rusland de sterkste band zal hebben, is waarschijnlijk de belangrijkste factor in de komende geopolitieke ontwikkelingen, zo benadrukt de schrijfster regelmatig.

Volgens de Russische ex-diplomaat Alexander Lukin (die vorig jaar een boek publiceerde over de Russisch-Chinese relaties*) is een terugkeer van Rusland naar het Westen ondenkbaar. Het is geen factor van betekenis aangezien een alliantie met de VS tegen China ondenkbaar is. Maar de relatie van Londen, Brussel (of afzonderlijke Europese hoofdsteden) met Beijing, dat zijn vraagstukken die minimaal even belangrijk zijn maar geen aandacht krijgen van Woodward.

Draaipunt richting Azië

De Verenigde Staten kondigde in 2011 aan dat de nadruk van het beleid voortaan op Azië zou liggen. Die draai werd bekend door het begrip pivot to Asia. Onder Obama speelde niet alleen het handelsverdrag TTIP tussen de VS en Europa, maar ook het Trans-Pacific Partnerschap (TTP) om de landen in Azië te binden aan de Amerikaanse economie. Naast de verschuiving van de militaire middelen stond dit verdrag centraal in de aanpak van de VS in Azië.

TTP draaide de soep in door het beleid van Trump om zich niet op internationale samenwerking te richten, maar uit te gaan van de Amerikaanse machtspositie om unilateraal een betere positie te bedingen. Het is een voorbeeld dat wordt aangehaald om te onderstrepen dat de Amerikaanse draai naar Azië is mislukt. In plaats van een Nieuwe Amerikaanse Eeuw zien we het begin van een eeuw van Azië. Fukuyama voorspelde ooit het einde van de geschiedenis.

In dit boek komt Fukuyama ook aan het woord. Hij zegt dat de VS door ISIS wordt afgeleid van wat veel belangrijker is, de dreiging van China. Het wordt verkocht alsof het een natuurwet is: de VS is leider van de wereld en die orde moet ten alle prijzen verdedigd worden. Al vanaf het begin van het bestaan van de Verenigde Staten wordt gesteld dat Amerikaanse belangen parallel lopen met de belangen van de democratie en de 'vrije wereld'. Woodward vat in een paar pagina's dit concept van het Amerikaanse exceptionalisme en haar kritiek erop samen.

Het ideaal van Amerika is in hoge mate het ideaal van de hele mensheid”, stelde Thomas Paine, een van de grondleggers van de Verenigde Staten al in 1776. De tweede president van de VS, John Adams formuleert het in 1813 nog wat scherper: “Onze zuivere, rechtschapen, sociaal gezinde, federatieve republiek zal eeuwig blijven bestaan, de aarde besturen en de ideale mens introduceren.”

Dat idee bestaat nog steeds en de VS zet hun tanden in de rest van de wereld als het hen goeddunkt. In 1870 had de VS Groot-Brittannië al ingehaald als grootste economie van de wereld. Toch hebben ze de rol van wereldleider pas zo'n 80 jaar geleden echt overgenomen van de Britten en Fransen. Dit nadat de economie van de VS tijdens de Tweede Wereldoorlog verdubbelde en Europa en Japan juist op hun rug lagen.

Woodward haalt linkse denkers aan om te stellen dat het Amerikaanse beleid in de eerste plaats de belangen van het Amerikaanse kapitaal heeft gediend en niet die van de vrije wereld. Inderdaad was het nog nooit zo duidelijk als nu dat de steun aan de vrije wereld een mythe is. Een columniste van The Guardian schreef dit jaar bijvoorbeeld dat het beleid van Trump bedoeld is Europa te vernielen.

Chinese assertiviteit

Dat betekent niet dat de hele elite in de VS het erover eens is dat ze zo hun uitzonderlijke rol moeten vervullen. Dat de plicht bestaat de 'vrije wereld' te verdedigen tegen de bedreiging van autocratie en staatsbemoeienis, daarover bestaan weinig meningsverschillen. De vrije wereld, die andere delen van de wereld de vrijheid met geweld mag opleggen, loopt daarbij op tegen een autocratie van de Chinese Eenpartijstaat die niet van wijken weet en de wereld aan zich bindt door de eigen markt te beschermen en te profiteren van de vrijheid bij de ander om zich daar in te kopen.

China is in dit krachtenspel de voorzichtige, maar allang niet meer onzichtbare macht. Nog meer assertiviteit valt te verwachten. Woodward doet alsof het heden ook de toekomst bepaalt en dat ze onbekend is met de slogan “resultaten uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst.”

Ze betoogt: “In dit boek probeer ik aan te tonen dat het Chinese buitenland beleid in de praktijk strookt met deze principes en ideeën [bevorderen wereldvrede en wederzijdse ontwikkeling] en dat de sceptici die beweren dat dit alleen maar mooie woorden zijn om een meedogenloze opmars naar regionale hegemonie te verhullen dat niet overtuigend kunnen bewijzen.”

Hoewel het Chinese leger wel in het buitenland is ingezet (Cambodja, Korea, Vietnam) heeft China “nooit een aanvalsoorlog gevoerd om ook maar een inch grond van een ander land te bezetten”, citeert ze de Chinese overheid. De VS en veel Europese landen kunnen Beijing dat niet nazeggen.

Woodward citeert veel en vaak treffend. Hier komt een ex-diplomaat uit Singapore aan het woord: “Beijing heeft bijna een geopolitiek wonder verricht door de tweede wereldmacht te worden zonder de wereldorde te verstoren (...) Als het Westen strategisch even terughoudend zou zijn als China, kon het misschien eindelijk een decennium van geopolitieke mislukkingen afsluiten.”

Om haar punt te maken haalt ze met instemming cracks uit de Amerikaanse geopolitieke wereld aan. De neoliberale politiek denker Nye zegt: “Als macht het vermogen is anderen te beïnvloeden teneinde de gewenste uitkomsten te bereiken, mogen we niet vergeten dat onze macht soms groter is als we samenwerken met anderen dan wanneer we ze commanderen.”

Henry Kissinger, een nog bekendere Amerikaan (zeker als het om China en machtspolitiek gaat) zegt: “In een echt conflict hebben beide partijen de mogelijkheid en de vindingrijkheid om elkaar catastrofale schade te berokkenen. Tegen de tijd dat zo'n hypothetische brandhaard zou uitdoven, zouden alle deelnemers uitgeput en verzwakt zijn. Ze zouden dan opnieuw geconfronteerd worden met taken die ze nu al onder ogen moeten zien: de opbouw van een internationale orde waar beiden landen een belangrijk deel van uitmaken.”

Toch winnen volgens Woodward de agressieve neoconservatieven steeds opnieuw. Dat is een terechte waarschuwing met een Nationaal Veiligheidsadviseur als de Amerikaan John Bolton, een rabiaat China-hater.

Bouwen aan de vrede?

Intussen is de westerse militaire strategie erop gericht de Chinese defensieve systemen te doorbreken. Het kan immers niet zo zijn dat China de westerse militairen toegang tot het land ontzegt. Het opbouwen van nog sterkere defensiesystemen door Beijing is daarom niet onbegrijpelijk, dat ben ik met Woodward eens. Maar zijn de killer robots die China ontwikkelt alleen voor zelfbescherming – tegen die de VS ontwikkelen – of gaan ze later ook verder van de eigen kusten en grenzen opereren?

China heeft defensie nodig die krachtiger is dan waarover ze nu bezit om vrede te ontwikkelen in Azië-Pacific en daarbuiten. Een vredig Azië-Pacific zal Europa ten goede komen”, aldus een Chinese militaire publicatie op het internet. Vrede is prachtig, maar wat betekent het bouwen van vrede hier?

Woodward steekt haar hand in het vuur voor de Chinese intenties. Het volksleger ontwikkelt zich om wereldwijd aan vrede te bouwen. Een wat sceptischer houding zou niet misstaan, omdat in China ook verschillende ideeën bestaan over hoe het militaire apparaat op moet kunnen treden. Dat overheersing ook met economische middelen kan worden vormgegeven, waarbij een sterkere partij de zwakkere een poot (een haven bijvoorbeeld) uitdraait, dat kom je in het boek niet tegen of wordt vergoelijkt, zoals in het geval van Sri Lanka waar China op die manier een zeehaven in bezit kreeg.

Europa werd in de jaren '80 ook gezien als een succesvol economisch project, goed voor de markt en goed voor de vrede. Maar dit jaar zette de EU een fonds voor de wapenindustrie op en de afgelopen decennia namen Europese landen deel aan een serie Amerikaanse interventies. Daarmee is het beeld minder rooskleurig geworden.

Als in 2011 een deel van de Libische bevolking in opstand komt tegen het bewind van Gaddafi dan neemt de Verenigde Naties een resolutie aan die luchtsteun mogelijk maakt zodra de bevolking wordt aangevallen. Die resolutie wordt door de Europese landen dermate breed uitgelegd zodat het een mogelijkheid biedt om sowieso luchtsteun te verlenen aan de opstandelingen.

China, Rusland en de landen van de Afrikaanse Unie zijn niet blij met deze creatieve uitleg. Voor China en Rusland zou het betekenen dat ze in het vervolg vaker tegen resoluties in de VN zullen stemmen. Het Europese misbruik van de VN heeft alleen al daarom meer kwaad dan goed gedaan. Deze Europese misstap is een verklaring voor de assertieve Chinese positie, maar kan toch niet gebruikt worden als blinddoek om een andere kijk op de militaire ontwikkelingen in dat land te ontkennen en mee te gaan in het Chinese verhaal.

Koude Oorlog

De bedoeling van de Verenigde Staten is om China via militaire bondgenootschappen te omsingelen, buurlanden te bewapenen en conflicten te stimuleren, schrijft Woodward. “Het eindspel is een strop die kan worden aangetrokken om China op militair, economisch en diplomatiek gebied te vetoën, te straffen, te bedreigen, of onder druk te zetten, en de Chinese opties te beperken.”

Eindspel moeten we dan bijna lezen als oorlog. De onvrede bevorderen, klinkt als een complot. Complot of niet, veel deskundigen voorspellen dat China uiteen zal vallen door onvrede in achtergestelde gebieden, een onevenwichtige bevolkingsopbouw, ethische spanningen en de volksverhuizing van platte land naar de stad en geven daarmee brandstof aan de mogelijke onvrede. Woodward rekent met al deze negatieve voorspellingen af.

Even verder schrijft ze dat het ware doel van de Amerikaanse politiek is om de technologische ontwikkeling en de groei van China af te remmen en zo de onvrede en politieke instabiliteit te bevorderen. Het afremmen van technologische ontwikkelingen is momenteel het meest zichtbaar rond telecomgigant Huawei. Het bedrijf komt in het boek één keer voor en dat geeft aan hoe snel ontwikkelingen gaan. Wat een bijzaak lijkt, kan al snel onderdeel van de hoofdzaak zijn.

Het is onduidelijk wie deze slag tegen Huawei gaat winnen of dat er zelfs een onderhandelde oplossing komt. Momenteel claimen beiden de voorsprong op de ander: de Global Times publiceert een cartoon waar het Amerikaanse bedrijf Apple Sansyung en Huawei uit Azië niet bij kan benen. Een Amerikaanse site stelt dat de bondgenoten van de VS Huawei laten vallen.

Het lijkt er volgens Woodward op of de VS aanzet tot iets wat sterk lijkt op een nieuwe Koude Oorlog. Ze zet in het laatste hoofdstuk van haar boek uiteen dat de situatie tussen de Sovjet-Unie en VS van 1949-1989 een heel andere was dan de huidige. De machtsverhoudingen zijn anders dan 70 jaar geleden. De Sovjet-Unie is economisch gezien nooit een gelijke partij geweest voor de VS. Op militair gebied is de VS wel de machtigste staat ter wereld, maar economisch haalt China de VS binnenkort in.

President Trump probeert als antwoord de militaire bondgenoten te dwingen een groter deel van de militaire kosten voor hun rekening te nemen en voert een agressief America First handelsbeleid om het tij te keren. Hij speelt daarmee wel met vuur in eigen keuken, want de bondgenoten zijn onmisbaar bij het kopen van schatkistpapieren om de VS van een faillissement te redden. Dat begrotingstekort loopt ieder jaar opnieuw in de honderden miljarden, maar de VS is vooralsnog too big to fail.

China vriendelijk

China is vreedzaam want initiatieven van Beijing faciliteren handel en energiezekerheid, zijn gericht op het ontwikkelen van internationale partnerschappen, het ontwikkelen van Azië (BRI handelsroute), en het heeft wel militaire relaties met buurlanden versterkt, maar geen allianties gevormd. Als China zijn vloot westwaarts stuurt en havenfaciliteiten verwerft dan is dit een strategie die alle landen die aan deze oceanen en zeeën liggen voordelen biedt.

Dit alles wordt met droge ogen opgeschreven door Woodward. Zou je ditzelfde stellen als het westerse initiatieven gold, dan word je, en niet ten onrechte, naïviteit verweten. Het is niet afwijkend dat een grootmacht zijn militaire greep vergroot. Dat deden Spanje, Nederland, Engeland, Frankrijk en de VS immers ook. Maar het militair beschermen van handelsbelangen tot in de Middellandse Zee is militaire expansie voor een land dat nog maar dertig jaar geleden nauwelijks een marinevloot had.

Woodward rekent af met critici van China, of ze nu rechts zijn of links. Wang Chaohua, die in 2015 voor de New Left Review een artikel schreef hoe het Chinese beleid van de bevolking op het platteland paupers maakte, roept de toorn over haar af: “Er klopt niets van”. Als ik de conclusie van Chaohua's artikel lees, snap ik dat het niet past binnen de visie van Woodward.

Ik zal Wang hier uitgebreid citeren: “De Chinese samenleving heeft een uitgebreid proces van commercialisering en vermarkting doorlopen – dat betreft economische activiteiten, sociale diensten tot het culturele leven – waarin financieel kapitaal (van staat of buitenland) de drijvende kracht was. Boeren, werknemers en zelfs kleine bedrijven hebben heel weinig macht om hun eigen belangen te beschermen. En als ze dat toch proberen, worden ze vaker geconfronteerd met vertegenwoordigers van de staat – ambtenaren, partijkaders, stadspatrouilles (chengguan), politie en in ernstige gevallen, de strijdkrachten – dan met de vertegenwoordigers van het kapitaal.”

Deze instanties”, zo vervolgt Wang, “handelen in naam, niet van het kapitalisme, maar van het socialisme – of met een hedendaagse saus, de 'harmonieuze samenleving' genoemd. Als dorpsbewoners uit hun huizen worden verdreven door dammen aan de Jangtsekiang, of herders uit hun weiden in Binnen-Mongolië, dan staat dit allemaal in het teken van het grotere 'socialistische' goed. De bruikbaarheid van het discours van 'socialisme met Chinese kenmerken' ligt dan ook in het maskeren van het tegenovergestelde van de principes die het veronderstelt te verdedigen.”

Woodward relativeert de visie dat mensen zonder vergunning om in de stad te wonen (het hukou-systeem) tweederangsburgers zijn. Ze leven dan wel onder harde omstandigheden, maar elders in Azië is het veel slechter gesteld. Je moet China beoordelen als land in het zuiden, schrijft ze. Dat het ook een land met supermacht aspiraties en uitgaven is, wordt dan weer even vergeten.

Naast deze dooddoener wordt het hukou-systeem in China gelukkig echt hervormd. Want velen leven wel degelijk onder mensonterende omstandigheden in Chinese steden.** Vergunningen om in kleinere steden te wonen zijn sinds 2014 mogelijk en het systeem wordt geleidelijk afgebouwd. Ontwikkelingen in China gaan snel, zeker niet alleen ten kwade, ook wel ten goede onder hoede van de Partij en partijleider Xi.

Amerikaanse neergang

China krabbelt weer op en is zeker geen nieuwkomer op het internationale toneel. Zo'n twee eeuwen geleden was het een belangrijke economische macht (zie grafiek) die door Westerse landen en zeer gewelddadige interne strijd op de knieën is gedwongen. Woodward toont de Chinese groei op alle mogelijke manieren aan.

Dat het internationale bankwezen, met vier Chinese banken aan de top, wordt gedomineerd door de Chinezen, beschreef ik al in de bespreking over de Britse relaties met de Golf van David Wearing. Dat bankwezen komt ook in dit boek aan de orde. Woodward bekijkt de Forbes-lijst met de 2.000 grootste bedrijven en noteert dat dat er vijftien Chinese bedrijven bij de eerste honderd staan. China groeit en verandert snel – het kan niet vaak genoeg herhaald worden – en de lijst over 2018 levert twintig bedrijven op, waarvan twee in Hong Kong.

Tegelijkertijd neemt de macht van de VS militair en economisch af en wordt de grootmacht in de steek gelaten door bondgenoten. Zelfs Taiwan, dat toch afhankelijk is van bescherming door de VS om zelfstandig te kunnen bestaan, weigerde zich ondanks Amerikaanse druk uit te spreken tegen de Chinese Air Defence Indification Zone (ADIZ) die de zone van Taiwan overlapte.

Zo bevat het boek tientallen voorbeelden van afvalligheid van Amerikaanse bondgenoten. Vietnam, een land met een eeuwenlang conflict met de grote noorderbuur, balanceert “op het slappe koord, waarvan China het ene uiteinde vasthoudt en de VS het andere.” Ze meent dat landen voor China kiezen omdat de VS niet meer weet te domineren in de regio en aan militaire bescherming een prijskaartje van binnenlandse bemoeienis heeft gehangen.


Als gevolg van die neerwaartse beweging is de VS ook minder in staat de politiek van landen naar hun hand te zetten. De VS is ook niet langer in staat om de dominante wereldmacht te zijn door gebrek aan middelen. Vandaar ook dat ze zich wil terugtrekken uit gebieden en bondgenoten dwingend vraagt meer te besteden aan wapens (bij voorkeur wel gekocht in de VS).

De weg leidt onherroepelijk naar het einde van het Amerikaanse wereldleiderschap. Het vertoog van Woodward speelt in de kaart van hen die een krachtiger VS willen zien tegenover het machtige China en is daarmee eerder een steun aan dan een verzwakking van de opflakkerende Koude Oorlog's retoriek.

Bovendien moet je bij die tanende Amerikaanse militaire invloed wel vraagtekens zetten. Die zogenaamd zwakke VS kon in 2018 beschikken over 4.000 kernkoppen (minus die op ontmanteling wachten) en China in 2015 volgens een schatting over 260 kernkoppen. De VS is ook op conventioneel niveau een stuk sterker dan China. Heel Azië beschikt over vier vliegdekschepen (China, India, Rusland, Thailand allen één). De VS over elf vliegdekschepen, plus negen met F-35 uitgeruste landingsschepen (America en Wasp klasse).

Ook de Amerikaanse bondgenoot Japan beschikt over twee schepen die uitgerust kunnen worden met de F-35. Juist deze grote en kwetsbare vliegdekschepen en mogelijkheden tot penetratie spelen een rol in het doorbreken van de Chinese defensie. Onderzeeërs uitgerust met strategische kernwapens, verhouding 14:6 met de VS in het voordeel (beide landen zijn bezig met nieuwbouw).

Woodward kan het niet laten om China toch sterker te maken dan het is. De J-20 zou een beter gevechtsvliegtuig zijn dan de Amerikaanse of Europese gevechtsvliegtuigen. Het is gelukkig nog niet getest en we moeten het bij die bewering doen met een artikel uit de Wall Street Journal van 2011. Een lange neus trekken naar een land dat militair de rest van de wereld nog steeds ver achter zich laat en de spil is van het machtigste militaire bondgenootschap ooit, de NAVO met partners zoals Japan, Australië en Zuid-Korea, is wat te makkelijk. Die militaire achterstand zien de Chinese buitenland-deskundigen zelf ook.

Regionale conflicten

Het boek bevat een kaartje van de Chinese aanspraken op de Chinese Zee. Het viel me op dat de Natuna eilanden net buiten deze negen-strepen-lijn vallen. Toch ziet Indonesië de Chinese claim op een deel van de Natuna eilanden als illegaal. De strijd om de eilanden zullen voorlopig wel een ernstige bron van conflicten blijven en inderdaad uitgespeeld worden door de VS, zoals Woodward uitgebreid betoogt, om hun militaire aanwezigheid te legitimeren.

Al die conflicten worden uitgewerkt in overzichtelijke hoofdstukjes, maar daarbij wordt dan toch vooral de Chinese argumentatie gevolgd. Als je dat op de koop toeneemt dan bevatten de paragrafen een schat aan informatie. Bijvoorbeeld hoe de Vietnamese leiding verdeeld is over de manier waarop de conflicten moeten worden opgelost, waarbij de pro-Chinese vleugel de overhand kreeg.

Dat de conflicten het best in overleg kunnen worden opgelost, daarover zijn de meeste betrokkenen het eens. Maar dat betekent niet dat alle Chinese claims in 'de Chinese achtertuin' kloppen, ook niet als de VS en Groot-Brittannië eerder dergelijke streken uithaalden in de wateren bij Alaska of rond de Falklands. Dat is een jij-bak die geen recht doet aan de kleinere landen rond de Zuid-Chinese Zee.

Dat de Chinezen zelf in vredestijd weinig belang hebben bij het hinderen van het vrije scheepvaartverkeer is duidelijk, daar hebben ze de VS niet voor nodig. Dat China weinig behoefte heeft aan militaire bases van andere landen die menen recht te hebben op de riffen en kliffen is begrijpelijk, maar dat maakt onderdeel uit van een onderhandelingsproces, niet van een claim. Als dat niet onderling opgelost kan worden, dan moet er bij voorkeur in het kader van het VN Verdrag voor de Zee (UNCLOS) naar een oplossing gezocht worden.


Naast portretjes van de conflicten rondom eilanden, zijn er hoofdstukjes over de bescherming van kwetsbare zeeroutes, over de kwestie Taiwan, etc. Het boek barst uit zijn voegen van allerlei kwesties die minutieus en zeer informatief beschreven worden. De meeste Amerikaanse militairen buiten de VS zijn gelegerd in Japan, bijna 50.000. En ook in Zuid-Korea is een flinke Amerikaanse legermacht van 23.468 militairen geïnstalleerd. Dit soort feiten zetten me aan het denken. Stel je voor dat in Engeland 50.000 Chinezen zouden zitten en in Denemarken nog eens 25.000. Het zou ons in Nederland op zijn minst zenuwachtig maken.

Er zijn ook heel veel vergeten of onbekende feitjes. Zo heeft de NAVO samenwerkingsverbanden met landen elders op de wereld. Eén van die landen is het ver weg aan de Chinese grens gelegen Mongolië. China is na Nederland de grootste investeerder in dat land. Het zijn van die opmerkingen die nieuwsgierig maken.

Waarin investeert, of beter, investeerde Nederland in dat lege land van het wuivende gras en een extreem klimaat? Het waren de belastingvoordelen die een verdrag tussen Nederland en Mongolië tot stand deed komen. De Australische mijnbouwreus Rio Tinto wist die weg eerder te vinden. Want het is niet alleen China dat de economie inzet om ten koste van anderen een win-win winst te maken.

Woodward gaat uitgebreid in op Centraal-Azië. De landen daar zijn lid van de Shanghai Samenwerkingsorganisatie (SFO) die in bekendheid onder doet voor BRICS (het overleg tussen Brazilië, India, China en Zuid-Afrika), maar minstens even belangrijk is en sterk groeiende qua inhoud en geografische omvang.

Vaak begint Woodward een deel van haar boek met een korte samenvatting. De samenvatting rond Centraal-Azië luidt zo: “Hier kijk ik naar de onderlinge strategische relaties van de VS, China en Rusland in Centraal-Azië vanuit het perspectief van de Chinese zorg over de stabiliteit van de kwetsbare provincie Xinjiang, en de kansen die de Verenigde Staten zien voor een militaire en strategische opmars in de regio.”

Genoeg stof voor een nieuw boek lijkt me, want de huidige pagina's stippen veel problemen aan die om een samenhangende uitwerking vragen. Wat betekent de aanwezigheid van de NAVO in Afghanistan? Hoe wordt economische ongelijkheid (voedingsbodem voor Oeigoerse protesten) in Xinjiang opgelost? Verliest de VS terrein aan Rusland met zijn wapenleveranties en aan China met zijn Handelsroute in Centraal-Azië? China ziet de regio op langere termijn als de spil om van Europa en Azië een gebied te maken door Oost-West routes over land. Welke mogelijke conflicten levert dat op?

Staat van dienst

Op zoek naar informatie over Jude Woodward op het internet vond ik een foto van haar uit 1971. Uit die tijd stamt ook zo'n beetje de enige kritiek op China in haar boek. Het is verklaarbaar dat China in 1971 koos voor het aanhalen van de banden met de VS om zo de kwetsbaarheid te verkleinen, stelt ze. Maar China “verloor de steun van de ontwikkelingslanden en de loyaliteit van linkse bewegingen”, omdat het banden onderhield met het Chili van Pinochet, het weigerde Israël te veroordelen en leverde wapens aan UNITA, de rechtse rebellen in Angola.

Ze haalt inmiddels de leer van Adam Smith en Karl Marx aan als verklaring voor het Chinese succes boven het westerse falen. Dat ook de Chinese groei vertraagt, is echter geen verzinsel uit het Westen, maar een reëel probleem waar de Chinese overheid op reageert met investeringen in megaprojecten.

Walden Bello, een man met een enorme staat van dienst als het gaat om de economische ontwikkelingen in de wereld en Zuidoost-Azië in het bijzonder, waarschuwt in zijn komende boek dat het Chinese model wel eens kan vastlopen. Dan bestaat ook nog de mogelijkheid dat de Chinese positie in het Zuiden verslechtert als China havens en eilanden van andere landen claimt in ruil voor (niet terugbetaalde) leningen.

Laten we hopen dat het zover niet zal komen. Veel Chinezen hebben de extreme armoede achter zich kunnen laten en dat de Chinese economie in 2015 7 procent groeide en het energieverbruik met 0,5 procent is natuurlijk goed nieuws. Daar kan het Westen nog wat van leren. Maar het is jammer dat Woodward bijna onvoorwaardelijk voor de zijde van de Chinese leiding heeft gekozen. Dat ondergraaft de boodschap dat samenwerking wel eens tot meer ontwikkeling kan leiden dan ingevlogen militaire steun en wapens.


* Alexander Lukin, China and Russia; the new rapporchement (Polity: Cambridge 2018)

** Hsiao-hung Pai, Scattered sand; the story of China's rural migrants (Verso: Londen, 2012)

titel Amerika tegen China. De nieuwe Koude Oorlog?
auteur Jude Woodward
uitgave Paperback, 440 pagina's
uitgever EPO, 2018
prijs 29,90 euro
isbn 9789462671430

Geschreven voor Ravage Webzine

donderdag 21 februari 2019

Military industrial axis of the European Union

On January 22, 2019 Angela Merkel and Emmanuel Macron signed the Treaty of Aachen (Aachener Vertrag/Traité d'Aix-la-Chapelle). Article 4 deals with internal and external security and defence cooperation, including military industrial issues. Berlin and Paris will intensify common defence programs to promote and consolidate the European defence technological and industrial base. As close as possible on the basis of mutual trust. Both countries will develop a common approach to arms exports in joint projects and establish the Franco-German Defence and Security Council as the political governing body.

It is not clear which defence programs are meant in the text. But annalists mention a next generation military fighter plane, drones and tanks. The fighter aircraft and the so-called European main battle tank together “form the backbone of Franco-German defence ambitions, with tens of billions of dollars at stake,” according to the US military publication Defense News. Spain recently joined the fighter program, but Airbus warned that the UK will be left out of the project if the UK leaves the single market and customs union of the European Union. On top of plane, tank and drone there are many more common projects, such as the A400M military transport plane, the Tiger attack helicopters, the NH90 transport helicopter and the European surveillance drone (Eurodrone MALE) with large equipment transfers from at least France to Germany and visa versa.

The French have no happy memories on expensive common European programs. A report by the National Audit (Cour des Comptes) recommended to keep projects limited to “two, or even three States sharing the same wish to invest sustainably.” The French Audit office also proposes to “launch [no] new defence equipment projects without first ensuring that the associated budget programming is realistic.” The multi billion European Defence Fund (EDF) may be used for streamlining common projects when it will get the proposed €13 billion, divided into €4.1 billion for collaborative defence research and €8.9 billion to co-financing member states’ prototype development.

The French national audit office recommend also to “promote Organisation for Joint Armament Cooperation (OCCAR) as the delegated project manager.” OCCAR is one of the benefissiaries of the European Defence Fund and already involved in the Tiger helicopter, the MALE drone and the A400M plane. In that case a fund filled by the remittances of national governments would be used to finance a German-Franco project that competes with industries of smaller nations. It is difficult to see this happen without opposition of other OCCAR participants.

The Guardian wrote on the Aachen treaty that it is a snub to other EU-members. Interest of the Franco-German defence industry is not the same as defence industry interests of Europe as a whole. The Dutch center right daily Telegraaf reported how the Dutch choice for Dutch/Swedish submarines is not only a financial and technological adventure, but may also sour the relations with Paris and Berlin. Dutch Damen shipyard has already problems with the Naval Group in Romania (see previous blogs) and is also competing with Italian Leonardo in Brazil. When the Aachen Treaty is a threat for the relations with Washington and the US defence industry, EU-members will try to frustrate its proceedings. The US was the second biggest destination for military sales of EU-member states after Saudi Arabia in the period 1998-2017. Creating a stronger European Union defence industrial base from a German French perspective gives the impression the big are trying to squeeze the small. The plans for the a next-generation fighter are an affront to Italy and will weaken the European Union, according to the head of an Italian defence industry association in Defense News. But even between Germany and France one may doubt how deep the agreement is.

“Rub away the rhetoric and you're not left with much,” the Irish Times stated and continued: “The text includes pledges everyone knows will come to nothing - France promises to support Germany's efforts to secure a permanent seat on the UN Security Council, for example. The mutual defence clause is a largely decorative flourish given that both countries are already bound by article 5 of the North Atlantic treaty.” Added to this there is also a common European arms export policy. It is not strictly implemented across the Union. But it exists and also here there nothing new, so far.

Arms may be developed to create a stronger European position vis-a-vis the US and China, but weapons will be exported to countries outside Europe to get more return on investments. The European Commission recently summarised the European arms export policy in answer on questions around sales to the Saudi's: “the handling of authorisations for the export of military technology and equipment is primarily a task for the EU Member States. It is also their responsibility to assess the risks prior to authorising any arms transaction.” It is hard to overlook the difference between the French and German interpretation of the EU Common Position on arms export controls. The logic behind a remark on the Euroactiv website is obvious: “Not defining a common export rule would mean putting certain common industrial projects at risk,” and is food for friction. Recently the differences were most visible in the reactions on the murder of journalist Jamal Khashoggi. The Irish Times in reaction to Aachen Treaty stated: “If Paris and Berlin are serious about a common stance on arms exports, there's a gaping chasm to bridge; France opted against following Germany's lead in halting arms sales to Saudi Arabia.”

How big the gap is must be seen. The German Minister of Foreign Affairs Michael Roth told German weekly Der Spiegel: “Franco-German cooperation offers the opportunity to make Europe more sovereign, but we too will have to compromise on this.  His colleague for Defence Ursula von der Leyen said: “The insistence on maximum positions does not create a strong community.” There is an ongoing struggle to relax arms export policies between the two remaining large EU members. It already surfaced in February around the potential French export of MBDA Meteor air-to-air missiles to the Saudi's, estimated worth US$1 billion, with key components produced by the German industry. Berlin wants to prevent the export “as it is opposed to Saudi Arabia’s use of the Meteor-mounted Typhoons in the Yemen conflict.” The Meteor is the first serious test for the direction of “a common approach to arms exports.”

MB 19/02/2019

donderdag 7 februari 2019

Part 2: Dutch naval yard at the Black Sea

Arialah class for UAE.
Recently the Romanian government canceled the acquisition of corvettes, probably due to irregularities (see part 1). This is a setback for Damen – a major global conglomerate of ship wharfs and one of the biggest Dutch arms exporters – started to build a Romanian position already in the nineties, with the acquisition of the Galati ship wharf (near Moldavia in the Northeast). It made the Romanian wharf a cornerstone of Damen shipbuilding, based on standardised vessels for which consoles were build in Romania while assemblage took often place elsewhere.
Damen has built over 400 ships in Galati, included 29 military ships, with a cumulated turnover of more than two billion euros and an average annual profit of € 30 million. “Since Damen took over the shipyard in Galati, 29 military ships have been built for international customers, NATO and European member countries. We [Damen] built all the state-of-the-art ships for the Dutch Royal Navy,” said Rino Brugge, General Manager of the Galati Shipyard.

In 2018 Damen also took over the Mangalia wharf in the South (near Bulgaria on the Black Sea coast). The Romanian government kept a majority (51%) stake. Mangalia is planned to be made a cornerstone for repair, maintenance and overhaul activities for the Romanian navy, in line with NATO standards. This ownership is central in Damen's bid for the billion+ euro corvette deal the Romanian government has now put on hold. Damen offers to work closely with Boeing, Raytheon and General Dynamics in weaponizing the corvettes, said Chris Groninger, the Dutch managing director of Damen Mangalia Shipyard. Damen advertises itself as "the only shipyard capable of building military ships" in Romania, including design.

The role of Galati is large. “Romanians are present, participating in complex projects, such as the recent experience of working together with the US defense industry on the endowment project of the Mexican military navy,” a local Damen employee proudly stated in the local press. To create an even more positive image of Damen, it is stated that: “The success of the Galatian navalists, their vast international experience, will, of course, be transferred to Mangalia.” It is not only about selling four new corvettes for the Romanian navy; it is about a decades long process of exporting a whole military shipbuilding infrastructure from the Netherlands to Damen at the Danube and Black Sea. Currently Damen is trying win the production of twelve mine counter measure vessels in competition with two French groups. All three are involving Belgian counterparts, but Damen also wants the hulls to be build in Galati, which gives the Dutch a competitive advance.

This raises the question who is responsible for the export of the final products of the Romanian Damen wharfs. Vessels like those for the United Arab Emirates that were made in Galati involve knowledge from the Dutch Delft University, Wageningen research institute Marin and Damen itself. For the warships of the Arialah-class (fitted with a Bofors 57mm gun, Otto Melara 30mm guns) the Dutch government provided the export licenses in 2014 and 2015 for the ships as well as for the Thales Netherlands equipment to a value of € 110 million. According to the Official Journal of the EU annual reports on Arms Exports Romania only reported ships exported to a value of € 14 million in 2016 to the Emirates. Which means that the main responsibility was still resting with the Netherlands.

Recently, the last of four Damen built offshore patrol vessels of the Dutch developed OPV1400 design sailed from Galati to Bizerte in Tunesia. They can be equipped with a naval helicopter as heavy as the NH90. But the vessels are not so heavy armed as they were potentially suited for, and they came cheaper than expected. They are not fitted with 76mm gun, but - according to the South African well informed DefenceWeb - with a 20 mm cannon and two machineguns. The contract of the sale was signed in December 2016. In the Dutch export reports nothing is mentioned about the sale of this Dutch product. It is however mentioned in the Romanian export policy report (pages 31, 34 and 47) and to the EU both for a value of € 27 million. Apparently control over these exports slipped out of Dutch into Romanian hands.

In another case of construction abroad the control stayed with the Netherlands. The Dutch government reported a license for a € 330 million export of components for a patrol vessel (also reported as plural 'vessels'). The modules are build in the Netherlands and Mexico. Recently a letter on the electro-optical and communication equipment for installation aboard this ship was sent to Parliament. The ship will be fitted with Harpoon Block II Missiles, RAM Missiles and MK 54 Torpedoes according to the Pentagon Security Cooperation Agency (but still called a patrol vessel by the Dutch authorities). The sale was disputed in December 2018 by the PVV, because of involvement of the Mexican navy in torture. Report and debate show this part of the Damen work is still under control of Dutch legislative and executive bodies. It would be worth a debate how to handle Damen designed ships in the Dutch arms export control policy.

Written for Stop Wapenhandel.

maandag 4 februari 2019

AngloArabia: Wat de Golfrijkdom betekent voor Groot-Brittannië

Britse banden met Saoedi-Arabië en de andere Golfmonarchieën staan als nooit tevoren in de schijnwerpers. David Wearing toont de nauwe economische relaties aan tussen Groot-Brittannië en de Golfregio, waarmee brute dictaturen worden gesteund.
door Martin Broek

Pakistan en de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) besloten begin 2019 hun banden te verstevigen op voor de hand liggende gebieden als olie en gas, maar ook veiligheid en defensie. De Pakistaanse premier bedankte de kroonprins van de Emiraten voor de gulle bijdrage van 3 miljard dollar die dient om de Pakistaanse betalingsbalans in evenwicht te brengen.

Petrodollars hebben een onmisbare functie voor landen waarin de economie niet functioneert en kopen ermee invloed in landen die ze gebruiken om die economie te smeren. En dat niet alleen in het Zuiden: de bijdragen uit de Golf zijn ook van wezenlijk belang voor de economie van Groot-Brittannië.

David Wearing promoveerde in 2017 op een onderzoek naar de relaties van Groot-Brittannië met de koninkrijken in de Golf. Eind vorig jaar verscheen hierover het boek AngloArabia voor het grotere publiek. De bedoeling van het onderzoek is om ver onder de oppervlakte te zoeken naar de structuren van de relaties tussen Groot-Brittannië en de Gulf Cooperation Council (GCC) landen en naar het samenwerkingsverband tussen de koninkrijken in de Golf. 'De GCC-regio is voor het Britse kapitalistische systeem minstens zo belangrijk als de leidende economieën uit het zuiden van China en India', stelt Wearing.

Campaign Against Arms Trade
De schrijver is niet alleen wetenschapper die aan de Universiteit van Londen onder andere Internationale Relaties en politieke economie van het Midden-Oosten doceert, maar ook voorzitter van het bestuur van de Britse vredesorganisatie Campaign Against Arms Trade (CAAT). Dat laatste verklapt hij pas aan het eind van zijn boek. Hij voorkomt zo – al dan niet bedoeld – dat het boek, dat tijdens zijn promotie de toets der wetenschap wist te doorstaan, als een product van een activist wordt gelezen.

Wearing is wél duidelijk over zijn betrokken rol als hij stelt dat de dramatische situatie in Jemen aantoont dat er 'een dringende noodzaak is dat wetenschappers, journalisten en het publiek meer aandacht moeten hebben voor de relaties tussen Groot-Brittannië en de GCC-landen.'
Het boek laat zien dat de petrodollars niet alleen terugvloeien naar het Westen om er hier wapens van te kopen die in de Golfregio ingezet worden om de mensenrechten te schenden, Jemen te bestoken en een materieel overwicht te krijgen ten opzichte van Iran (een punt dat overigens nauwelijks aan de orde komt), maar tevens een breed spectrum aan functies voor de Britse economie heeft.

Bovendien zijn de relaties niet alleen commercieel van aard. Ze hebben een wezenlijke functie binnen het Britse kapitalistische economische systeem. Binnen die brede kijk vallen ook de militaire en wapenexportaspecten. Deze spelen een voorname rol in zijn analyse wat het boek ook zo bijzonder maakt. Het komt weinig voor dat in economische analyses aandacht wordt geschonken aan bewapening en in beschrijvingen van militaire relaties en wapenhandel wordt zelden over de bredere structuren van politieke en economische verbanden geschreven.

'Wij kennen een samenleving gebaseerd op waarden. Zij hebben een samenleving gebaseerd op waarden. Het is een ander pakket aan waarden', zegt Sir Simon Mayall, een voormalig Midden-Oosten adviseur van het Britse Ministerie van Defensie. Wearing stelt als reactie op dergelijke visies vragen zoals hoe we kijken naar de normen en waarden van mensen in de Golfregio. Zien wij de autoritaire bestuursvorm als een cultureel gegeven, of proberen we er verklaringen voor te zoeken, waarbij een deel van het antwoord ligt in (post)koloniaal optreden om het eigenbelang te dienen?

Voor een Brit is het niet moeilijk om de historische band aan te tonen. Britse koloniale invloed en belangen staan immers aan de basis van de Golf monarchieën. Het is onmogelijk om te bepalen hoe de regio er uit zou hebben gezien zonder die invloed, maar de huidige status benaderen vanuit een cultureel perspectief miskent de bepalende rol die Groot-Brittannië (veelal aan de zijde en sinds de Suez-crisis in 1956 onder hoede van de VS) heeft gespeeld om democratische tendensen te smoren en autoritaire regimes te ondersteunen. Saoedi-Arabië is het product van interne strijd, maar wel vanaf het begin tot nu toe met Britse (lucht)steun.

De schrijver haalt hier Edward Said aan die zich keerde tegen de oriëntaalse typering die diende als onderdrukkingsmechanisme. De bevolking van de regio heeft immers, net als de bevolking van andere regio's, meningsverschillen gekend over hoe de maatschappij georganiseerd moest worden, inclusief aandacht voor mensenrechten en democratie. Door op cultuur te fixeren is de kans groot dat je de onderliggende structuren mist. De islam en zijn stromingen worden al snel als verklaring opgevoerd, en oppositie tegen zittende heersers in de Golf teruggebracht tot een islamitische stromingenstrijd.

Het conflict in Bahrein is bijvoorbeeld begonnen om politieke en mensenrechten voor alle inwoners. Later werd dit teruggebracht tot een conflict tussen de aan de macht zijnde Soeni-minderheid en de onderdrukte Shia-meerderheid. Met een dergelijke reactie doe je geen recht aan de terechte wens om gehoord en vertegenwoordigd te zijn, welke in de geschiedenis van de regio regelmatig te horen was, maar telkenmale de kous op de kop kreeg met steun vanuit het Westen om belangen in de regio te verdedigen. Met de lokale onderdrukking doen de Saoedisch ook ons vieze werk. Zo zet Wearing het wederzijdse nut neer voor zowel de plaatselijke als westerse elite van de repressie in Bahrein.

Olie als machtsfactor

Het zal niemand verbazen dat olie en gas in de Golfregio het scharnierpunt zijn voor de wederzijdse relaties. Allereerst aangezien de economieën wereldwijd op deze fossiele brandstoffen draaien en belang hebben bij een constante toevoer tegen een stabiele prijs. Met 29,3 procent (en met Iran en Irak zelfs 47 procent) van de bewezen wereldwijde reserves is het belang van de GCC-landen aanzienlijk. Dat de Golfstaten deze stabiliserende rol ook willen spelen, bleek bijvoorbeeld in 2011 toen Saoedi-Arabië de door de oorlog in Libië weggevallen olieproductie compenseerde.

Het draait bij de controle niet uitsluitend om de toevoer naar de eigen Britse economie (Groot-Brittannië is maar voor een zeer klein deel afhankelijk van olie en aardgas uit de Golf), de controle op de brandstofstroom naar andere regio's geeft eveneens macht. China is bijvoorbeeld een belangrijk gebruiker van olie (51 procent) uit de gehele Golfregio en alleen Qatar al is goed voor een derde van de aardgasimporten vanuit Peking.

Azië importeert met ruim twee derde het leeuwendeel van de Saoedische olie-export, een vijfde gaat naar de Verenigde Staten en een tiende naar Europa. Controle betekent dus invloed op de opkomende markten in Azië. In tijden van oorlog en crisis wordt het behoud van deze controle nog belangrijker. Tijdens beide wereldoorlogen in de vorige eeuw speelde de toegang tot oliebronnen in het Midden-Oosten een doorslaggevende rol.

De beheersing van de oliestromen is ook voor de 'wereldorde' van groot belang. Londen levert als steun en toeverlaat van Washington hierbij een rol. Na 1956 is de controle van de regio langzaamaan overgegaan van Britse in Amerikaanse handen, maar alleen al door hun historische en koloniale verleden in de regio speelt Groot-Brittannië nog een rol. Wearing haalt Doug Stokes en Sam Raphael aan, auteurs van het boek Global Energy Security and American Hegemony
'Naast het garanderen van de toegang tot brandstof dient het garanderen van een stabiele toevoer van brandstoffen uit de Golf ook de internationale kapitalistische belangen. Washington plaatst zichzelf in de positie van een immens 'structureel machtsmodel'. Door te opereren als de ultieme verdediger van de energie toevoer, wordt de positie van de Verenigde Staten als hegemoniale macht binnen het internationale systeem herbevestigd, waarbij potentiële rivalen worden gedwongen (of het er soms mee eens zijn) afhankelijk van Amerikaanse macht.'
 Dat een potentiële supermacht als China zich hier niet bij neer zal leggen, laat zich raden.

Aan de andere kant van de medaille hebben de GCC-landen baat bij de militaire steun die ze krijgen van de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Frankrijk voor het controleren van de bevolking en het beheersen van externe bedreigingen door militaire steun en wapenverkopen. Die steun is nodig, want veel van de koninkrijken in de Golfregio kunnen niet rekenen op steun van de meerderheid van de bevolking. Ook bij deze militaire en repressieve steun heeft Groot-Brittannië een direct belang. Door de wapenverkopen kan Londen de militair-industriële capaciteit behouden noodzakelijk voor machtsontplooiing op wereldwijde schaal (al speelt het land hier tweede viool net als Rusland, Frankrijk en, voorlopig nog, China.)

De prijsstijgingen in de jaren '70 hebben overigens tot meer investeringen in de winning van olie uit de Noordzee geleid, waarmee de afhankelijkheid van olie voor de Golfregio in Groot-Brittannië afnam en het land de vijfde olieproducent in de wereld werd. Die hogere kosten en opbrengsten hebben tot een derde reden geleid waarom olie en gas van belang zijn en dat is dat de revenuen van de olieproductie terugvloeien en op verschillende manieren worden gerecyceld.

Dat hergebruik varieert van investeringen in de Londense City, vastgoed, tot aan de inkomsten door wapenaankopen. Petrodollars zorgen dat de Britse betalingsbalans nog enigszins in evenwicht en het pond overeind blijft. Deze economische relaties vormen de kern van AngloArabia. Deze kapitaalinjecties leiden ertoe dat vanuit Groot-Brittannië elders in de wereld geïnvesteerd kan worden, met grotere winstmarges dan op de thuismarkt.


Controle op de Golflanden is ook domweg van belang omdat de Britse oliemaatschappij BP en het Nederlands/Britse Shell er olie en gas winnen, en dat in toenemende mate. Met Shell, het grootste bedrijf van Groot-Brittannië, hebben we het ook over Nederland. Wearing schrijft dat bij iedere referentie aan Shell moet worden gelezen dat Royal Dutch Shell weliswaar is geregistreerd in Engeland en Wales, maar haar hoofdkwartier heeft in Den Haag en het dus niet alleen over een Brits bedrijf gaat.

Wat dit verder te betekenen heeft, daar laat hij zich niet verder over uit als hij schrijft over het bedrijf met directe invloed in het Departement voor Handel en Industrie. Nederland ontbreekt zelfs geheel in de index. Ook in Nederland is het belang van het bedrijf van nationaal belang waar de overheid direct steun aan geeft, zoals William de Bruijn, Tijl van Huijkelom en Marcel Metze beschreven in de Groene Amsterdammer. 
Die invloed op Westminster leidt er overigens niet toe dat de Britse overheid willoos naar de pijpen van Shell danst. Het olieconcern was tegen een militaire invasie in Irak omdat het de destabilisering van de regio vreesde. Maar toen de interventie er uiteindelijk kwam, had de directie van Shell er niets op tegen dat Groot-Brittannië bij de interveniërende partij hoorde. Meedoen betekende immers invloed in een olierijk land.

Dat de winsten voor de Britse oliereuzen in Irak niet zo hoog reikten als aanvankelijk werd verwacht, maar ook niet betekenisloos waren, doet Wearing in detail uit de doeken. Zoals hij ook overzichtelijk stilstaat bij de positie van Groot-Brittannië en de afgesloten contracten van zijn oliereuzen met alle Golfstaten.

Het financiële centrum van Londen, de City, speelt een centrale rol in de Britse economie. Rond de eeuwwisseling beheerde het een vijfde van de wereldwijde financiële vorderingen en verplichtingen. Die omvang heeft het ten dele te danken aan de koninkrijken uit de Golf. De rijke olielanden hebben de mogelijkheid om elders te investeren en Groot-Brittannië is daarbij een voorname en zelfs groeiende markt. Investeringen uit de Golf zijn zelfs groter dan die vanuit Groot-Brittannië in het buitenland.

Onlangs stelden Groot-Brittannië en de Golfmonarchieën dat na de Brexit de commerciële- en economische relaties nog verder versterkt moeten worden. Daarmee moet de Golfregio weer als reddingsboei dienen voor een mank lopende economie en de gewaagde keuze voor de Brexit.

Het belang van de petrodollars voor de Britse financiële instellingen wordt in het boek op vele manieren aangetoond. Een sprekend voorbeeld is dat investeerders uit de Golf er in 2008 voor zorgden dat de Barclays-bank geen staatsreddingsinterventie bekleed met voorwaarden hoefde aan te gaan, maar met privaatkapitaal kon voldoen aan de voorwaarden met betrekking tot financiële reserves.

Het Britse bankwezen is internationaal gezien belangrijk. De schrijver meldt dat in 2012 van de tien grootste banken er vier in de VS en drie in in Groot-Brittannië zetelden. Gegevens over 2017 laten overigens zien dat vier van de grootste tien zetelen in China, twee in de VS, twee in Frankrijk, een in Japan en nog maar één in Groot-Brittannië. Deze Britse HBSC-bank is nummer vijf op de lijst, na Chinese banken die de top vier opeisen.

Wearing noemt deze recente gegevens niet, maar staat wel stil bij de HBSC-bank. Deze is van groot belang voor de Golf-elite, zowel om investeringen in Groot-Brittannië te stroomlijnen als voor het onderbrengen van privékapitaal. Zo'n 3.636 rijken uit de Golf stalden meer dan 11 miljard Amerikaanse dollars bij de HBSC Private Bank (een Zwitserse dochter van HBSC), aldus een publicatie van Investigative Journalists die voortkwam uit gelekte documenten.

De olie-inkomsten zorgen voor koopkracht in de Golfregio. Dat koopgedrag wordt versterkt doordat andere dan olieproductie gerelateerde industrie in de landen van het Arabische schiereiland nauwelijks bestaat en goederen en diensten om die reden wel ingekocht moeten worden. Londen speelt daar graag op in.

Britse export naar de Golfregio is met zo'n 14 miljard dollar per jaar vergelijkbaar met die naar India en China tezamen en ontwikkelt dan ook een overschot op de handelsbalans met de Golflanden. Dat komt ook doordat het vanwege de winning van Noordzeeolie nauwelijks olie hoeft te kopen. Die positieve betalingsbalans is weer van belang voor het pond.

De koninkrijken in de Golfregio hebben ondanks hun rijkdom nauwelijks een eigen wapenindustrie en wapentuig moet dan ook van elders komen. Die wapens kunnen intern en extern ingezet worden, maar de koninkrijken knopen door de aankopen ook een militaire en politieke band met de leverancier. Dat zijn niet in de eerste plaats de wapenproducenten, maar vooral de overheden die de vergunningen moeten verstrekken.

Bij grootschalige wapenhandel zijn de politieke aspecten van de transacties belangrijker dan de financiële. Een land dat wapens levert aan een ander land, zal geneigd zijn misstanden te bagatelliseren of zelfs ronduit te ontkennen. Zo is ook hier weer sprake van een wederzijds belang.

De Al Yamanah (vertaald: de duif) deal uit 1985 is misschien wel het beste voorbeeld van die verknoopte relaties. De zaak draaide om de verkoop van Britse tornado's, Hawk gevechts- en Zwitserse Pilatus trainingsvliegtuigen, de levering van munitie, alsmede de aanleg van infrastructuur en onderhoud. De deal werd betaald in olie, een kwestie die werd afgehandeld door BP en Shell die 600.000 (in het boek per abuis 500) vaten per dag ontvingen. De opbrengsten gingen naar het Britse Ministerie van Defensie dat op haar beurt British Aerospace voor de geleverde wapens betaalde.

De Al Yamanah deal is vooral bekend geworden door de grootschalige fraude die er mee gemoeid was. In het boek van Wearing staat een onthutsend openhartig citaat uit de mond van minister van Defensie Ian Gilmour uit 2006: 'Je was in zaken inclusief het omkopen, of je kocht niet om en deed geen zaken. Je ging of mee met de wijze van handelen van de Saoedisch, of met wat zij wilden, of je liet de zaak aan de VS of Frankrijk (…) Als je smeergeld betaalt aan hooggeplaatste personen in de regering, betekent het niet veel dat dit illegaal is volgens de Saoedische wetgeving.'
Niet alleen is het citaat openhartig, het legt ook de verantwoordelijkheid voor het omkopen in Riyad en verklaart de omkoper tot iemand die door de omstandigheden werd gedwongen. De Britse overheid stopt in december 2006 met het onderzoek naar de corruptie om de relaties met Saoedi-Arabië niet verder onder druk te zetten, met een beroep op de gevolgen voor de Britse veiligheid. Veel van de gemelde schadelijke effecten voor de Britse veiligheidssituatie bleken er achteraf met de haren bijgesleept om de vergaande beslissing in Groot-Brittannië te verkopen.

Op grond van financiële overwegingen kunnen zelfs grote investeerders zich niet in het besluit vinden. F&C Asset Management, een van de grootste institutionele beleggers in Groot-Brittannië, stelt dat ze als aandeelhouder in British Aerospace op korte termijn baat hebben bij de stap, maar dat deze beslissing op lange termijn de de betrouwbaarheid van de City in de waagschaal stelt.

De drie grootste verkopers van wapentuig aan de GCC-landen sinds het einde van de Koude Oorlog zijn allen NAVO-landen. De Verenigde Staten is veruit de grootste, maar wordt op ruime afstand gevolgd door Frankrijk en Groot-Brittannië. Na weer een enorme kloof komen Rusland en Duitsland. Nederland neemt een negende positie in volgens het Zweedse instituut SIPRI.

Tot 1971 was Groot-Brittannië de enige verkoper van wapens aan de kleinere Golfstaten en liep gelijk met de VS als het om Riyad ging. Het einde aan de koloniale verhoudingen en de verhoging van de olieprijs deden dit veranderden. De landen hadden meer te besteden en kochten wapens bij diverse leveranciers, waarbij de VS een steeds groter deel van de markt in handen nam. Voor Groot-Brittannië neemt het belang van de wapenverkopen naar de GCC-landen overigens wel toe aangezien de handel met andere delen van de wereld afneemt. (zie figuur 5.2.)

Gegevens van de Europese Unie omtrent wapenexportvergunningen van Groot-Brittannië in de periode 2001-2017 tonen aan dat de verdeling tussen de VS, EU en GCC-landen, de laatste met 18 miljard euro, veruit de grootsten zijn.

De EU was goed voor 14 miljard van de Britse exportvergunningen en de VS voor 10 miljard euro. Ter vergelijking: voor een land als Duitsland ligt de voornaamste wapenexportmarkt in de EU met 27 miljard. Voor zowel de GCC-landen en de VS verstrekte Berlijn vergunningen ter waarde van 10 miljard euro. Het verschil met Duitsland, een van de drie grote Europese wapenexporteurs, geeft aan hoe belangrijk de Golfregio voor de Britten is.

Europese samenwerking 
Wat nauwelijks aan bod komt in het boek is dat ook grote 'Britse' wapensystemen niet altijd helemaal Brits zijn. De Typhoon wordt elders in Europa doorgaans de European Fighter Aircraft (EFA) genoemd. Het is een gevechtsvliegtuig met onderdelen uit vier verschillende landen. De Britten zijn wel verantwoordelijk voor de uiteindelijke export naar het Midden-Oosten, maar ze zijn niet de enige producent.

Door die Britse rol houden Duitsers, Italianen en Spanjaarden van Airbus en Finmeccanica de handen schoon, maar verdienen wel fors aan de geleverde onderdelen. De exportcijfers van de Britten gebaseerd op de export van geassembleerde wapensystemen geven daardoor een vertekend beeld. Van de opbrengst moeten de betalingen van de leveringen uit alle deelnemende buitenlandse bedrijven afgetrokken worden. De order wordt wel op het conto van Groot-Brittannië geschreven, maar Airbus en Finmeccanica willen wel betaald worden.

De inkomsten vanuit Saoedi Arabië zijn belangrijk voor de Britse betalingsbalans: 'Misschien wel de belangrijkste en fundamentele redenen waarom de Golfrijkdom van belang is voor Groot-Brittannië en het Britse kapitalisme', stelt Wearing. De auteur denkt dat dit vermoedelijk te maken heeft met de Eurofighter Typhoon deal van 2007 en in 2014-2015 rond wapenverkopen in het kader van de Jemenoorlog.

Ook SIPRI geeft als grote exporten Hawk vliegtuigen en Eurofighter/Typhoons aan. Het draait hier dus om een product van samenwerking over de Europese grenzen heen. Het Britse deel van de leveringen kwam ten goede aan de economie van Groot-Brittannië. Maar je kan niet stellen dat de hele deal daarmee ten bate van de Britse defensie-industrie komt. Een groot deel van de Saoedische inkomsten moest immers worden afgedragen aan de Europese partners in het project. Die leverden hun bijdrage niet gratis.

Met andere woorden, de leveringen waren gunstig voor de betalingsbalans met Saoedi-Arabië, maar droegen ook bij aan de negatieve betalingsbalansen met Duitsland, Frankrijk en andere Europese landen. Die kwestie van plus en minnen wordt in het boek vergeten, terwijl dit wel degelijk van groot belang voor het betoog is.

Wapenexport is politiek

Wearing behoort tot de zeldzame analisten die stellen dat de wapenexportcontrole regimes vooral dienen als schaamlap om wapenverkopen mee te legitimeren. Hij haalt gespecialiseerde wetenschappers aan om zijn positie te staven. Professor of International Relations and Security Studies Neil Cooper stelde dat het in een omgeving waarin men zoveel mogelijk wapens wil verkopen, het de slechts de lelijke eendjes, de paria's, van de internationale gemeenschap zijn die met de regels in de hand geen wapens mogen kopen. Dat zijn de Noord-Korea's en Iran's van deze wereld.

Docent International Relations Anna Stavrianakis beweert dat de Britse regering wapens verkoopt aan landen met interne conflicten, gesitueerd in instabiele regio's, en aan bondgenoten, zoals NAVO-landen en landen in het Midden-Oosten. Zo speelt de Britse wapenexport 'een belangrijke rol in het onderhouden van het repressieve instrument van het wereldwijde kapitalistische systeem.' 
Door de wapenverkopen laten de Britten allereerst zien dat ze vertrouwen hebben in hun bondgenoten in de Golfregio. Daarmee zijn de transacties vooral politiek (dat neemt niet weg dat ze voor de wapenindustrie zeer lucratief zijn). Dat politieke karakter blijkt ook als in 2017 Saoedi-Arabië en Qatar met elkaar in de clinch liggen, en de Verenigde Staten besluit om voor 12 miljard dollar F-15 straaljagers aan de Saoedische vijand Qatar te verkopen. Hiermee laten de VS zien dat ze Saoedi-Arabië wel als bondgenoot willen hebben, maar niet ten koste van Qatar.

Bijkomend en zeker niet onbelangrijk voordeel is dat het Amerikaanse bedrijf Boeing het groene licht krijgt zijn vliegtuigen te verkopen en daarmee de kas kan spekken en de positie op de markt voor gevechtsvliegtuigen weet te versterken. Daarmee is de zaak nog niet afgerond. Qatar koopt ook voor 8,6 miljard pond Eurofighter/Typhoons, om zo ook nog eens de betrekkingen met Europa en Groot-Brittannië in het bijzonder te bevestigen. De Britse minister van Defensie zegt bij de veerkoop fijntjes dat hij hoopt dat de luchtmachten van de landen in de Golf er goed door kunnen samenwerken. Met deze woorden wordt het politieke karakter van de deal onderstreept.

Voor Londen is het belangrijkste politieke voordeel van de wapenexport naar de Golfstaten dat deze ervoor zorgt dat het kan beschikken over een door exportinkomsten betaalbare defensie-industrie. Zouden de wapensystemen alleen voor het eigen land geproduceerd worden, dan zou dit onbetaalbaar zijn. Een dergelijke industrie levert niet alleen inkomsten op, maar ook de bijbehorende kennis en technologie die Groot-Brittannië in staat stelt een militaire rol op het wereldtoneel te spelen.

Het welzijn van de Britten is niet afhankelijk van het gegeven dat Groot Brittannië een internationale militaire macht is. 'Veel welvarende landen doen het zonder een dergelijke status', beweert Wearing. Ook de economie op financiële diensten richten, en zo het belang van petrodollars vergroten, is beleid en geen natuurwet. Die keuze werd gemaakt in de jaren '80 ten tijde van de opkomst van het neoliberalisme.

De resulterende Brits-Arabische relaties pakken anderzijds wel duidelijk negatief uit voor pro-democratie dissidenten en burgers in Jemen. Aan de verkeerde kant staan ook de activisten tegen corruptie en zij die door de focus op de financiële sector hun baan verloren in de maakindustrie, of gewoon te ver van de City wonen om daar een baan te kunnen hebben.

De relaties met de Golflanden zijn niet gelijkwaardig ('asymetrisch' noemt Wearing dit). Er bestaan wederzijdse afhankelijkheden, maar Groot-Brittannië heeft binnen de relatie de overhand en is minder afhankelijk van de Golf dan de Golf van Groot-Brittannië. De GCC-landen zijn militair en economisch minder ontwikkeld en hebben geen grootse positie in de wereld. Groot-Brittannië is zijn imperium verloren en zal nog verder krimpen door de Brexit, maar het heeft kernwapens, een positie binnen de VN-Veiligheidsraad, grote multinationals en een financieel centrum met wereldstatus. Daarbij steken de puissant rijke golfmonarchieën karig af. Voor Londen is er daarom meer mogelijkheid te kiezen voor een ander beleid.

Het boek geeft aan waar het belang van de Golf voor Groot-Brittannië ligt en waar er weerstand zal zijn. Het legt ook bloot waar binnen het huidige speelveld ruimte voor oppositie is, zoals in het geval van corruptie, waar ook belangrijke financiële spelers in de City tegen gekant waren. Het directe verband dat is blootgelegd tussen investeringen uit de Golf, de fixatie op het financiële centrum in Londen, en de wapenexporten die bedoeld waren om petrodollars te recyclen en de band met de regio te verstevigen, is een interessante analyse.

AngloArabia laat de verwevenheid van relaties zien en maakt duidelijk dat activiteiten tegen wapenexporten naar de Golfregio in Groot-Brittannië op grote weerstanden zullen stuiten van een flink deel van de politieke, financiële en economische elite. Kort door de bocht kan je stellen dat oliedollars aan de basis staan van de huidige deplorabele economische toestand bij onze buren aan de overkant van de Noordzee. De stem voor de Brexit is er mede een gevolg van. Wearing legt het allemaal wat omzichtiger uit.

De Brexit komt in het boek nauwelijks aan de orde. Wearing schrijft dat het nog te vroeg is deze te verwerken. Onlangs publiceerde Open Democracy wel een stuk over de voordelige aspcecten van de Brexit voor de wapenindustrie. Maar Wearing heeft gelijk aan de andere kant waarschuwde Airbus met een vertrek uit het VK en meldt GKN Fokker dat het vooralsnog het hoofdkwartier niet naar Nederland verplaatst. Europa komt er in het boek wel bekaaid af. Ook de EU komt er bekaaid vanaf. De Britse economie is dan misschien wel zeer sterk gericht op de GCC-landen, maar Europa is veel belangrijker als gebied voor bijvoorbeeld de export van goederen en diensten (40 procent van wereldwijde exporten in 2015 t.o.v. 4 procent GCC plus Irak en Jemen). Deskundigen zien alleen negatieve gevolgen van het uittreden voor de Europese handelspartners, maar zeker ook voor Groot-Brittannië zelf.

Het Financieele Dagblad meldde onlangs dat volgens conservatieve schattingen wordt verwacht dat 800 miljard dollar (€ 885 miljard) naar het vasteland zal verhuizen. Wordt de Golfregio daardoor belangrijker of kiest men daar ook eieren voor zijn geld? En wat betekent dit voor de militaire band? Het zijn vragen die, gezien de actuele debatten, om aandacht en eventueel antwoorden vragen.

AngloArabia roept de vraag op of ook in Frankrijk – eveneens een land met veel banden in de Golfregio – dergelijke onderzoeken bestaan naar de diepere verbanden tussen economie, macht en wapenexporten. Daarmee zou kritiek op Franse wapenhandel – die tot voor kort nauwelijks bestond – zich verdiepen. De enige Franse militaire basis buiten Afrika bevindt zich in Aboe Dhabi constateert journalist Antoine Besson, die daarmee het belang van de Golfregio voor Parijs aangeeft.

Onderzoeker bij l’Observatoire des armements Tony Fortin beschrijft de militaire relaties van Frankrijk met de Golflanden, en in het bijzonder de Verenigde Arabische Emiraten, en constateert dat 60 procent van de Franse wapenverkopen naar de Golfregio gaat. Ook helpt Frankrijk de Emiraten in Afrika om zodoende aldaar de invloed van Parijs te vergroten.

Een belangrijke conclusie van het boek is dat het voortzetten van de relatie met Saoedi-Arabië en de Golfstaten eenvoudigweg cruciaal is voor de Britse mogelijkheden om de status van wereldmacht te behouden, maar voor een welvarende democratie in het Westen is het vasthouden aan die positie nader bekeken een keuze, geen noodzaak. Ander beleid dan samenwerking met brute dictaturen is dus mogelijk.

Geschreven voor Ravage Webzine.

Wapenexporten naar Gulf Cooperation Council landen, 1991-2017
SIPRI trend waarde index x miljoen (zie











titel AngloArabia| Why Gulf Wealth Matters to Britain
auteur David Wearing  
uitgever Polity Press, 2018  
uitgave Paperback 240 pagina's, Engelstalig
isbn 9781509532049