Posts tonen met het label jacques r. pauwels. Alle posts tonen
Posts tonen met het label jacques r. pauwels. Alle posts tonen

donderdag 1 januari 2015

De Groote Klassenoorlog 1914-1918

Herdenkingsmonument in Rue, 31 juli 2014, blog.

Om een omverwerping van de heersende orde te vermijden, kwamen adel en burgerij begin vorige eeuw uit bij oorlog. Oorlog moest de revolutie en de democratisering tegenhouden. Maar het liep anders dan de elite verwacht had.

door Martin Broek

De Groote Oorlog gaat over de plaatsbepaling van wat nu de Eerste Wereldoorlog heet. Het boek is een baksteen dik, niet vast te houden tijdens het lezen en zit barstensvol feiten. Er zijn alleen al 1002 eindnoten… Het lezen ervan is als het overzwemmen van een oceaan vol feitenparels. Iedere parel is mooi, maar iets minder en iets meer oever zou ook mooi zijn geweest.

De Canadese schrijver en historicus van Vlaamse afkomst, Jacques R. Pauwels, vangt aan met de Verlichting in 1789, ‘de mars naar meer democratie en de ontvoogding van de kleine man.’ Hij kan het niet laten ook terug te grijpen op oorlogen die aan de Verlichting vooraf zijn gegaan: de zevenjarige oorlog (1756-1763) en de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783). Die zorgden voor een fiscale crisis en creëerden een revolutionaire situatie. Oorlog baart oorlog, zo wil de schrijver benadrukken.

De centrale stelling van het boek is dat de Eerste Wereldoorlog is begonnen om deze vrijheden de kop in te drukken. Die oorlog was bedoeld om de arbeidersbeweging – die door de reactionairen als te sterk werd verondersteld – te disciplineren en onder controle te krijgen. Pauwels gaat daarin verder. De ‘contrarevolutionaire, antisocialistische’ wereldlijke en geestelijke elite wilde de oorlog gebruiken om de macht van adel, kerk en staat met krijgsmacht en kapitaal weer te herstellen. In die context hadden generaals er geen probleem mee op een dag duizenden mannen de dood in te jagen.

Bewijzen

Pauwels voert een karrenvracht aan personen aan om zijn stelling te onderbouwen, zoals Alexis de Tocqueville, die uit de Franse revolutie leerde dat oorlog er toe kan dienen ‘sociale conflicten te neutraliseren.’ De overdaad aan citaten en opgevoerde personen wordt gebruikt om te overtuigen. Maar is dat nodig? Wel als je gaat geloven in je eigen these dat de Eerste Wereldoorlog een klassenoorlog was en dat je dit tegen de klippen op wilt bewijzen. Dat officieren uit de betere standen kwamen en neerkeken op de soldaten hoeft toch niet te verbazen? In 1980 nog werd ik zelf door een officier geacht zijn schoenen te poetsen, iets wat ik weigerde, maar de man met de gouden strepen op zijn epauletten probeerde het wel. Die bewering van klassenonderscheid tussen rangen en standen wordt pagina’s lang onderbouwd.

Socialisten

Regelmatig moet ik tijdens het lezen van De Groote Klassenoorlog denken aan het boekenplankje vrijwel tegen het plafond boven mijn bureau dat werk bevat van Karl Liebknecht, Rosa Luxemburg en Henriëtte Roland-Holst. En, onvermijdelijk, ook Vladimir Iljitsj Lenin, de man die in het namenregister van Pauwels tot de best bedeelden behoort. Maar Jaurès, de Franse socialist tegen de oorlog die werd vermoord bij het uitbreken ervan – ontbreekt op mijn plank. Allen hebben zich ingezet om de arbeidersbeweging tegen de oorlog en het bestrijden van de eigen klasse te keren en mechanismen van het militarisme te duiden. Ik lees in de biografie van Roland-Holst over Rosa Luxemburg: ‘De val van het proletariaat in den huidigen wereldoorlog is zonder voorbeeld, die val is een onheil voor de menschheid. Maar verloren zou het socialisme enkel zijn, zoo het internationale proletariaat de diepte van dien val niet meten, niet daaruit leren wilde.’

Het doet me ook denken aan de slogan die ik wekelijks voorbij fiets ter hoogte van station Sloterdijk in Amsterdam: ‘No war, but class war‘. Het mocht niet zover komen. De klassen zouden elkaar tussen 1914 en 1918 wereldwijd op dood en leven bestrijden waarbij zo’n 10 miljoen Europeanen om zouden komen. En met het leren wilde het ook niet erg lukken. ‘Bij het uitbreken van de oorlog jubelt de elite, en met reden: aan de stakingen en andere sociale problemen komt plots een einde. De ware of vermeende revolutionaire bedreiging gaat in rook op’, zo begint Pauwels aan het hoofdstuk De godsvrede en het einde van de politiek.

Daarin komt aan de orde het stemmen voor de oorlogsbegroting in Duitsland, de union sacrée (waarin tegenstellingen tussen socialisten en elite werden bevroren) of de censuurwetgeving Defence of the Realm (DORA) in het Verenigd Koninkrijk (wetgeving die nog tot in de jaren ’60 werd gebruikt tegen stakingen). Protesten van de socialisten bleven goeddeels uit. Die zouden de oorlog dan ook verzwakt uitkomen. De vakbonden verdubbelden hun ledental in de oorlogsjaren wél.



 (zie)                                                                                     Foto: Martin Broek

Animo

Er is een mythe ontstaan rondom de Eerste Wereldoorlog, namelijk dat er sprake van een groot enthousiasme was om te strijden. Dit enthousiasme zou echter van zeer korte duur zijn. Pauwels voert tal van citaten aan om dit duidelijk te maken. Aan Franse zijde vielen in de eerste maand 300.000 doden en gewonden, van de Britse troepen was tegen het einde van 1914 een derde gesneuveld. Dergelijke cijfers geeft het boek ook voor de oorlog in Oostenrijk-Hongarije, Servië, België etc. Generaals beschouwden dit als een ‘malthusiaanse manier om de al te talrijke massa’s uit te dunnen’, aldus de stevige woorden van Pauwels, zonder bronvermelding dit keer.

Om de soldaten aan het front te houden, was stevige propaganda nodig. Pauwels onderscheidt hierin vier stromen: de eigen nederlagen werden verzwegen, de anderen waren de oorzaak van de oorlog, ‘onze’ strijd was rechtschapen, en na de overwinning zou alles beter worden. ‘Wij krijgen noch brieven noch kranen te zien (…) wij marcheren stom en stilzwijgend als slaven van de oorlogsgod’, citeert de schrijver een Franse soldaat. Voor de soldaten speelden drie mechanismen waardoor ze aan het front bleven: dwang, plichtsbesef en kameraadschap. Op de laatste dag vielen nog eens 2.738 doden, meer dan tijdens de landing bij Normandië in 1944.

Pauwels beschrijft ook de verbroedering die op het slagveld ontstond tussen de militairen van verschillende partijen die de in totaal 40.000 km lange loopgraven aan het front bevolkten. Niet alleen de kerstvoetbalwedstrijd van 1914 wordt genoemd, maar ook contacten op dagelijkse basis, zoals bij de Fontaine Père Hilarion waar zowel Franse als Duitse soldaten hun water haalden. Een paar pagina’s later citeert de schrijver een Franse soldaat die zich herinnert dat hij een exemplaar van het tijdschrift Le Petit Parisien inruilde voor een Duitse krant. Het zijn dit soort geluiden over de oorlog die de hoop op een betere wereld bij mij zelfs nu nog, een eeuw later, levend houden.

Koloniën

Het deel van WOI waar geen sprake was van loopgraven lijkt vaak aan de aandacht van de publieke opinie te ontsnappen. De Somme en Ieper zijn WOI, Turkije al veel minder. Pauwels is een uitgesproken links en ook internationalistisch schrijver. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij stilstaat bij een andere reden van de oorlog, namelijk het graaien naar elkanders koloniën en het sneuvelen van soldaten in den vreemde: ‘De Eerste Wereldoorlog als laatste fase van de wedloop om Afrika.’ Soldaten uit de koloniën werden ingezet, maar met weinig respect behandeld.
Ook hier baart de oorlog weer nieuwe conflicten. De door de officieren onderdrukte Ieren zouden zich nog verder van de Britten afkeren. De Japanse veroveringen in Azië resulteerden in de wedijver tussen Tokio en Washington die uiteindelijk tot oorlog met de VS zou leiden. Het verband kan niet ontkend worden, maar dit is een voorbeeld van ‘grote halen snel thuis’ hetgeen in het boek regelmatig voorkomt.

Verderop in het boek wordt het ontstaan van het huidige China aangehaald als resultaat van de Russische revolutie, ook al mogelijk gemaakt door WOI, en een erfenis van een revolutie onder leiding van Mao’s communisten. Tegen welke prijs laat de schrijver weg. Bovendien kan je veel grote geopolitieke en economische processen afleiden uit de wereldoorlog van 1914-1918. Je kan beter niet te grote slagen maken als je zo’n grabbelton – om het wat respectloos te zeggen – gebruikt.
In het hoofdstuk De lange schaduw van De Groote Oorlog brengt Pauwels ons echter met rasse en niet altijd even adequate schreden terug tot op de dag van vandaag in de eindeloze oorlog tegen het terrorisme. Dan haak ik af.

Feiten

Krijgsgevangenen trokken na 20 november 1918 
uit Duitsland naar huis. In Enschede 
werden er tot 20 januari 1919 80.000 opgevangen.
(zie) Foto: Martin Broek
Ook Bismarck komt een paar keer in het boek aan de orde met een krachtige uitspraak. De Duitse industriëlen en landadel vonden elkaar, het was het samengaan van ‘rogge en ijzer’. Verderop in het boek haalt Pauwels Bismarck aan als hij zegt dat Duitsland door de oorlog zijn eenheid in het midden van de 19e eeuw had verwezenlijkt door ‘bloed en ijzer’. Alweer zo’n twee woorden slogan die blijft hangen. Door de veelheid aan feiten ga je dit soort patroontjes herkennen.

Een heel ander feit is de creatie van de Sacré Cœur basiliek die werd gebouwd om vergiffenis te vragen voor de zonden die Frankrijk had begaan, zoals de Commune van Parijs (1871) en de scheiding van kerk en staat (1905), aldus de schrijver. Wederom geen bronvermelding. Jammer, ik voel me dan niet helemaal senang om dit als feit op te voeren. Het kerkgebouw was in 1914 klaar, ‘net op tijd om de mensenmassa’s te ontvangen die door de oorlog God zouden terugvinden’, schrijft Pauwels.

Dat de cavalerie het in de tijd van het machinegeweer nog maar slecht deed, las ik deze zomer al in de New York Times, maar dat aan het Turkse front paarden nog wel eens bruikbare wapens waren, lees ik in De Groote Klassenoorlog. Pauwels voegt daar bovendien aan toe dat het op de blubbervelden van weinig nut was. De Britser generaal Haig weigerde echter afstand van zijn paarden te doen, toen hem bevolen werd om ze te laten verschepen naar Palestina. Zo verknocht was hij aan zijn bereden militairen.

Onlangs besprak ik voor Ravage het boek De kracht van het paradijs over Europa van Jonathan Holslag. Holslag beschrijft een gordel van onzekerheid die om Europa heen ligt. Pauwels haalt een revolutionaire gordel aan voor WOI die van Spanje, via Italië en de Balkan naar Rusland leidde. Het zijn dit soort schematische wetenswaardigheden die het tot een rijk boek maken. In dit kader past dan weer het feit dat de Italiaanse socialistische partij als enige tot het einde tegen de oorlog gekant bleef. Een partij waaruit ene Mussolini, de uitgever van de krant Avanti, vertrok om zijn eigen partij te stichten. Waaruit de schrijver constateert dat het fascisme voortkomt uit de Grote Oorlog.

Ik kan wel genieten van de kleine feitjes, zoals de theoretische voettocht van België naar Zwitserland door de 40.000 km aan loopgraven. Het geeft mij – hoe banaal ook – een beeld van WOI dat ik voorheen nog niet had. Of dat Thomas Mann het uitbreken van de oorlog zag als ‘zuivering, verlossing van het giftige gemak van de vrede’. Deze schrijver wordt aangehaald om de sfeer in zijn tijd te duiden. Maar dat Mann zich later zou afkeren van die mallotige romantiek, vermeldt Pauwels niet. Is het soms omdat Pauwels zijn betoog ermee zou ontkrachten, indien de schrijver weer op zijn poten wordt gezet?

Liederen

Los van alle gegevens over propaganda, repressie, oorlogshandelingen en machtsspelletjes, valt het boek op door het grote aantal versjes en gedichten dat is opgenomen. De teksten zijn zowel pro als contra de oorlog; kwaad en vriendelijk, ironisch of direct. De teksten zijn divers en ook hier uitbundig veel en altijd vertaald.

In Flanders Fields van John McCrae ben ik door Pauwels opeens heel anders gaan interpreteren. McCrae was een Canadese luitenant-kolonel en bewonderaar van het Britse empire. Hij zag de animo voor de oorlog afnemen en schreef daarom een van de bekendste oorlogsverzen, bedoeld om de soldaten niet alleen moed in te zingen, maar ook aan het front te houden. Meeleven met de soldaten is prima, maar waarom Take up our quarrel with the foe (Neem ons gevecht met de vijand weer op) als versregel? Pauwels verwijst bovendien naar werk van Paul Fussell die dit gedicht ontlede en brandmerkte als een bijzonder krachtig en literair instrument voor oorlogspropaganda.

Er zijn versjes bij waar de schrijver geen genoeg van krijgt. Het valt op zodra je alweer de naam Georg Willis en het gedicht Any soldier to his son tegenkomt. Het zou prettig zijn geweest als Pauwels bij zo’n tweede, derde of vierde keer had vermeld dat het gedicht dit of dat onderstreept. Het zou het leesplezier hebben vergroot. Maar mooi zijn ze vaak wel. Ik kies er één uit:

Tien miljoen soldaten zijn ten oorlog getrokken.
En zullen misschien nooit terugkeren.
Tien miljoen harten van moeders moeten breken
Voor beminden die nutteloos sterven.
Het hoofd gebogen in verdriet
Hoorde ik een moeder eenzaam in haar oude jaren
Mompelen doorheen haar tranen:

Ik heb mijn jongen niet grootgebracht om soldaat te zijn,
Ik heb hem grootgebracht om mijn oogappel te zijn,
Wie heeft het lef om hem een geweer te geven,
Om te schieten op de lieve jongen van een andere moeder?
Laat de naties hun geschillen door bemiddelingen oplossen,
Het zwaard en het kanon hebben hun tijd gehad,
Er zou geen oorlog gevoerd worden,
Indien alle moeders zouden zeggen,
Ik heb mijn jongen niet grootgebracht om soldaat te zijn.

[Oorspronkelijke tekst Alfred Bryan, muziek Al Piantadosi (1915). (Wordt niet vermeld in boek) Zie ook hier. Vertaling Pauwels.]

Twijfel

Heb ik met dit boek nu wezenlijk veel bijgeleerd? Wist ik dan al niet dat militarisme disciplineert, dat de krijgsmacht en er is om de heersende macht haar binnenlandse en buitenlandse politiek uit te laten voeren? De Groote Oorlog als klassenoorlog om het proletariaat weer onder controle te krijgen, daarvan neemt de schrijver gelukkig af en toe zelf wat afstand. Internationale concurrentie om toegang tot grondstoffen (zoals olie, ja toen al), wedijver tussen industriële supermachten (Engeland en Duitsland) en koloniale politiek blijken ook belangrijke drijfveren te zijn geweest.

Even lijkt Pauwels van zichzelf te schrikken en aan zijn eigen stellingen te twijfelen als hij schrijft: ‘Het was de bedoeling om (…) een oorlog uit te lokken. De term ‘uitlokken’ is misschien enigszins overdreven. Maar de Europese elite stuurde zeker aan op oorlog en schuwde het risico ervan niet langer.’ Hier ben ik hem kwijt. ‘Uitlokken’ of erop ‘aansturen’ (wat een meer omvattende benadering lijkt), wat maakt het uit? Een paar bladzijden later schrijft hij weer dat de Duitse adel ‘aasde’ op de oorlog. Ja, mijn beeld van de Eerste Wereldoorlog is veranderd door het boek.



Tijdens het lezen van De Groote Klassenoorlog bekeek ik tevens de catalogus Oorlogsprenten van Jan Sluijters, gemaakt in het kader van een tentoonstelling in Museum de Fundatie in Zwolle. De prenten dienden als cover voor de Nieuwe Amsterdammer. Ze vertellen in detail, woord en beeld veel over de afschuw van en reden voor de oorlog. Het boek van Pauwels is rijker aan feiten. Bovendien: het hoeft niet in een keer uit. Een vat vol schatten blijft. Toch, waarom niet meer in voetnoten gestopt – welke dwaas heeft er voor gezorgd dat deze plaatsmaakten voor eindnoten, zodat ik de hele tijd zit te bladeren – en meer de grote lijn bewaakt? Had er niet het een en ander op een website gekund, eventueel met filmpjes, gedichten, verhalen van elders en activiteiten rond de herdenking of tegen oorlog?


Al voor ik De Groote Klassenoorlog ging lezen en bespreken, wist ik dat ik de cover zou noemen. Die is prachtig, met het futuristische schilderij uit 1915 La Mitrailleuse van Christopher Nevinson. Britse soldaten zitten met een machinegeweer in de loopgraaf. Nevinson heeft gruwelijker werk gemaakt en zijn schilderij Paths of Glory uit 1917 werd een jaar daarna zelfs geweerd uit een tentoonstelling.


titel 
De Groote Klassenoorlog · 1914-1918
auteur  Jacques R. Pauwels
uitgave  paperback (15 x 22,5 cm) – 672p.
uitgever  EPO, 2014
isbn  9789491297694
prijs  € 34.90


Geschreven voor Ravage Webzine


dinsdag 11 januari 2011

Europese namen voor de wereld (recensie)


In Europese namen voor de wereld begeleiden we Spanjaarden, Portugezen, Fransen, Engelsen en Nederlanders op hun veroveringstochten naar de overkant van de Zeven Zeeën. Met de ontdekkingsreizen en kruistochten legde Europa niet alleen haar wil en visie op aan de rest van de wereld, ook de namen voor de veroverde gebieden waren Europees.

door Martin Broek

Kort voor de zomervakantie hadden mijn kinderen op school een project over Bombay. Hoe leven mensen in deze kolossale Indiase stad? Nog weken had de jongste van acht het over het door het Tropenmuseum in het leven geroepen bedrijf waar zakjes werden gevouwen van oude kranten. Een bedrijf waar hij een paar uur had moeten werken. Op mijn vraag of het geen Mumbai, de nieuwe naam voor de stad, moet zijn in plaats van Bombay reageerde hij laconiek: "De mensen in Bombay gebruiken allebei."

Mumbai heette vroeger Mumbadevi, en was vernoemd naar de godin Mumba. De Portugezen noemde de stad vervolgens bom baia (goede baai) en de Engelsen maakten daar Bombay van. In 1995 werd de koloniale naam vervangen door een verkorte versie van de oude naam. Het lijkt mij dat je blij moet zijn met iedere koloniale naam die verdwijnt, maar Mumbai heeft het (alleen in Nederland?) nog steeds moeilijk. Terwijl Sint Petersburg in Rusland al snel na 1991 toegepast werd, is het bij Mumbai nog steeds 'Mumbai' (voorheen Bombay) of 'Bombay' (officieel Mumbai).

Mumbai

De achtergronden bij de naam Mumbai is een van de vele wetenswaardigheden over de namen van steden, rivieren, zeeën en landen uit het boek Europese namen voor de wereld van Jacques R. Pauwels, historicus in Canada. Pauwels stelt dat ook Pretoria van naam zal gaan veranderen en een inheemse naam zal krijgen: Tshwane (Plaats van de zwarte koe). Hier is de wens de vader van de gedachte. Pretoria ligt binnen de in december 2000 gestichte gemeente Tshwane, maar blijft als stad bestaan.

Verzamelaar

Achter de schrijver moet een fanatiek verzamelaar schuilgaan. De index begint bij Abessinië en eindigt bij de Zuidzee. Alle namen van A tot Z worden individueel voorzien van een betekenis. Het zijn niet alleen de individuele namen waar hij bij stil staat, hij probeert ze ook een bredere betekenis te geven. Deze is in het boek van Pauwels vooral verbonden met kapitalistische expansie en christelijke zendingsdrang.

De schrijver geeft als reden voor het schrijven van dit boek: 'De Europeanisering van de wereld had ook een eponiem, 'naamgevend', of omnastisch (sic!), 'naamkundig' aspect, waaraan historici tot nog toe zelden of nooit aandacht besteed hebben.' Dat ontdekkingsreizen door wereldmachten niet samen hoefden te gaan met naamgeving en inlijving, laat Pauwels zien aan de hand van de Chinese expansie tot de zeventiende eeuw. Chinese schepen voerden eveneens naar alle landen rond de Indische Oceaan, maar namen geen land in bezit en lieten geen namen achter.

In Spanje waren aan het einde van de vijftiende eeuw de Arabische koninkrijken gevallen. De conquistadores zaten zonder werk en moesten bezig gehouden worden. De grote ontdekkingsreizen boden daartoe ruimte. Voor buurland Portugal, ingesloten door Spanje, was het de enige mogelijkheid om de uitbreidingsdrang bot te vieren.

'Dankzij Columbus konden de Spanjaarden na 1492 het vertrouwde (en wonderbaarlijk lonende) veroverings- en bekeringswerk van de Reconquista blijven uitoefenen aan de overkant van de Atlantische Oceaan – op veel grotere schaal dan tevoren op het Iberische schiereiland, ditmaal ten koste van Azteken en andere 'Indianen' in plaats van islamitische Spanjaarden.'

Ontdekkingen en navigatie


Navigatietechnieken en ontdekkingsreizen spelen een voorname rol in het boek. (Net als de schrijver gebruik ik het woord 'ontdekkingen', hoewel ik weet dat dit tegen de borst stuit van mensen die vinden dat niet Columbus, maar de Vikingen, of niet de Vikingen, maar de mensen die via de Beringstraat Amerika binnen trokken, of niet deze Aziaten maar hun voorgangers, waarvan het bestaan een jaar of tien geleden beschreven werd, het werelddeel gingen bevolken.)

Na de ontdekking van het nieuwe land schreef Amerigo Vespucci dat hij vermoedde dat aan de overkant van de 'Oceaanzee' niet Azië, maar een nieuw werelddeel lag. Hij liet dit weten in een open brief genaamd Mundus Novus die hij in 1502 of 1503 schreef aan Lorenzo di Medici in Florence. Drie jaar later was de brief vertaald in vele Europese talen, waaronder het Nederlands. Met het door Vespucci beschreven vermoeden, startte een nieuw en winstgevend avontuur. Vespucci kreeg de eer een heel continent op zijn naam te krijgen.

De bekendere Columbus had de pech dat hij tot zijn dood bleef geloven dat het niet om een nieuw werelddeel ging maar om Azië. Columbus had wel een belangrijke verdienste, die verder ging dan de ontdekkingen zelf. Hij vond uit hoe je de Atlantische Oceaan met behulp van winden en stromingen kon bevaren. Direct van West-Europa naar het Noord-Amerikaanse continent zeilen is onmogelijk vanwege de immer waaiende westenwinden. Maar van de Canarische Eilanden werd je door de winds that blow trade naar de Caraïben geblazen.

Niet veel later vond Magellaan de zeestraat rond Zuid-Amerika naar een nieuwe Oceaan, die hij wegens de vele windstiltes, de Stille Oceaan noemde. De weg om de Zuidpunt van Afrika werd iets eerder, in 1488, met een scheutje toeval gevonden door Bartolomeu Diaz. Hij werd door een Oostenwind de Indische Oceaan opgeblazen. Na zijn ontdekking voer hij terug en landde op wat hij Kaap der Stormen noemde, de Kaap die daarna op bevel van de Portugese koning werd herdoopt tot Cabo de Boa Esperança.

Kaap de Goede Hoop zou vervolgens eenbelangrijke functie hebben als onderdeel van de route naar Azië en door Nederlanders en Britten beheerst worden. Tien jaar later zeilde Vasco da Gama naar India. Onderweg kreeg Mozambique zijn naam. In 1515 verscheen voor het eerst de naam Indische Oceaan op een wereldbol. Weer een nieuw gebied lag als gevolg van de toename van de kennis van zeestromen en stormen open. Het beeld dat de Europeanen hadden van hun wereld was in korte tijd grondig veranderd. De rest van de wereld zou nog kennis maken met zeilers uit het Noorden.

VOC

De ontdekkingen werden gedreven door de kennis, het zeemanschap en vernuft van onder andere bovengenoemde zeevaarders en latere opvolgers, maar er waren ook duidelijke grenzen verbonden aan de zoektochten. De voornaamste zijn dat ze waren moesten opleveren en de positie van hun opdrachtgevers dienden te verstevigen.

Het in 1623 verkende Australië bijvoorbeeld kon de Nederlanders in de jaren '20 van de zeventiende eeuw maar matig boeien: er waren goud noch specerijen te vinden. Bovendien woonde er 'de lelijkste en armste mensen die ik ooit heb ontmoet', aldus de Nederlander Jan Carstenz in 1623. Pas in 1642-'43 zou Abel Tasman Australië exploreren.

Een ander voorbeeld toont nog sterker dat de mentaliteit bij de Nederlandse Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) weinig gericht was op ontdekkingen om kennis te vergaren, maar vooral om florijnen te verdienen. De VOC had weinig op met vrijheid en nieuwsgierige geesten. De zeevaarders Le Maire en Schouten bereikten Batavia vanaf de zuidpunt van het Amerikaanse continent. Ze kwamen onder andere langs Nieuw-Zeeland en eilanden ten oosten van Papoea Nieuw-Guinea.

'In oktober 1616 kwamen de twee Nederlandse zeelui aan in Batavia. Ze werden er prompt in de gevangenis gegooid omdat hun reis beschouwd werd als een inbreuk op het monopolie van de VOC op reizen naar specerijenlanden', schrijft Pauwels. 'De schepen van de VOC bleven het immers houden bij de vertrouwde en kortere route van en naar Holland via Kaap de Goede Hoop in plaats van Kaap Hoorn. Het was dan ook via Kaap de Goede Hoop dat het duo, eenmaal in vrijheid gesteld, naar het vaderland mocht terugkeren. De onfortuinlijke Le Maire overleed echter onderweg.'

Ruim honderd jaar later (1722) zou zeevaarder Roggeveen die dezelfde route verkoos, het eveneens aan de stok krijgen met de Compagnie. Dit ademt niet de sfeer van avontuurlijkheid die mij als gereformeerd jongetje is bijgebracht, maar van een muffe behoudzuchtige bedrijfspolitiek door de eerste multinational in de wereld.

Chronometer

In de achttiende eeuw zou een volgende belangrijke ontdekking de exploratie van de wereld sterk vereenvoudigen. De Engelsman John Harrison ontwikkelde de chronometer, een nieuw soort uurwerk dat jarenlang uiterst precies bleef werken. Harrison werd bijgestaan door de Londense Royal Society, een prestigieuze vereniging van wetenschappers. De chronometer maakte precieze plaatsbepaling mogelijk.

Door het tijdstip waarop de zon zich op zijn hoogste punt bevindt te vergelijken met de tijd in Greenwich, kon men bepalen waar men zich bevond op de in 360 lengtegraden verdeelde aardbol. Twaalf uur tijdsverschil betekende 180 lengtegraden verwijderd van de lengtegraad van Greenwich en ieder uur erbij of er af een verschil van 15 graden. De hoogtegraad kom men al bepalen door de stand van de sterren te meten.

De uitgebreide beschrijvingen door Pauwels van de techniek om de wereld te ontdekken, vergroot het inzicht in achtergronden van de wereldverhoudingen zoals die vandaag nog bestaan. De ontdekkingen van destijds legden de wereld open.

'Eindelijk werd het mogelijk om de reusachtige Stille Oceaan niet alleen over te steken, zoals de Spanjaarden al sinds de zestiende eeuw deden, maar ook systematisch te verkennen en in kaart te brengen – en om voordien ontdekte eilanden zonder al te veel moeite terug te vinden! Zo werden in de tweede helft van de 18e eeuw in relatief korte tijd heel wat nieuwe eilanden ontdekt, al dan niet onmiddellijk in bezit genomen en in de meeste gevallen natuurlijk ook met Europese namen gezegend.'

De naamgeving

Daarmee zijn we weer bij het eigenlijke onderwerp van het boek. Allereerst zijn er de christelijke namen, zoals San Setubul, Santa Cruz etc. De naam Santiago duidt erop dat er gevochten is voor de verovering van een stad. Santiago komt namelijk van de Galicische versie van de naam van de apostel Jacob, Sant-Yago.

De heilige Jacob kreeg als bijnaam Santiago Matamoros (morendoder), omdat hij bij een slag tegen de moslims op miraculeuze wijze tussenbeide kwam. Later werd de bijnaam van de Heilige Jacob aangepast naar Santiago Mataindios (de Indianen slachter). De bijnamen van een heilige als brute veroveringsgeschiedschrijving.

De christelijke namen zijn niet slechts een teken van de devote liefde voor God bij de christelijke veroveraars, maar er moet volgens Pauwels ook een politieke lading aan gegeven worden. De legitimatie voor het onder controle brengen van de veroverde gebieden is dat de christelijke leer ook naar de wilden elders in de wereld wordt gebracht.

De franciscanen die inmiddels goed bekend staan en bijvoorbeeld een opvallende rol in de vredesbeweging in Woensdrecht hebben gespeeld moeten het ook ontgelden: 'In verband met de franciscaanse missies in Californië moeten we ons echter geen romantische illusies maken. Talloze 'indianen' werden er blootgesteld aan dwangarbeid, ondervoeding, verplichte bekering en dergelijke, en de moraliteit van vooral kinderen was er huizenhoog.'

Namen van vorsten, handelaars en producten

De grote inham in het noorden van Australië, de Golf van Carpentaria, heb ik altijd verbonden met een timmerman (carpenter) en ik dacht dat hij waarschijnlijk aan zijn naam kwam doordat men er gemakkelijk schepen kon oplappen in de luwte. Logisch misschien, maar wel onwaar. Hij is genoemd naar de man die tijdens de ontdekking ervan gouverneur-generaal was van Nederlands-Indië: de in Antwerpen geboren Pieter de Carpentier. Een soort CEO avant la lettre van de VOC in Batavia.

Abel Tasman zou Australië later Van Diemensland noemen, ook al naar een gouverneur-generaal van de Compagnie. In 1801 zouden de Britten het Australië gaan noemen, 'de (verengelste) naam die de Grieken tweeduizend jaar voordien al hadden verzonnen voor het zuidelijke werelddeel waarvan zij het bestaan vermoedden.'

Hier zou ik enige toelichting wensen. Hoezo de Grieken? Hoe konden die dit vermoeden? Gelukkig is er dan nog altijd internet en door een cursus voor scholieren van 10 tot 12 leer ik dat het verhaal gebaseerd is op Griekse redeneerkunst. De Grieken vermoedden niets, ze vonden gewoon dat er daar ook land moest zijn om dat er evenwicht moest zijn tussen de landmassa in het Noorden en Zuiden.

Het ligt natuurlijk voor de hand dat de Filippijnen naar een Europese Filips zijn genoemd, namelijk Filips II, zoon van Karel V. Ik had er echter nog nooit bij stilgestaan.

Er zijn namen die aangeven wat men kwam zoeken en halen in de landen waar men aanbelandde. Slavenkust is inmiddels verdwenen en herdoopt tot Benin, maar Ivoorkust bestaat nog steeds. Andere voorbeelden zijn Costa Rico, Puerto Rico, Argentinië (Zilverland). Kameroen komt van het Portugese woord voor garnaal, camaroa. De voorbeelden zijn vele.

Koeweit, de kunstmatige stadstaat, die de Britse invloed in het Midden-Oosten moest verstevigen, betekent 'fortje'. Dit duidt op een ander doel van de verovering; het krijgen van strategische posten her en der door de wereld om die wereld en de handelsstromen onder controle te houden. Inwoners van bijvoorbeeld Diego Garcia, Viegas en Okinawa ondervinden de gevolgen van dit mechanisme nog elke dag aan den lijve.

Landnamen

Sierre Leone heeft zijn naam van de Portugezen gekregen (Serra Leao, de Leeuwenbergen, hoewel die roofdieren in de verste verten niet te vinden waren). In 1780 ging de kolonie over naar de Britten en die maakten er een reservaat van waar vrije zwarten naartoe werden verscheept. In 1961 werd het land, met de hoofdstad Freetown, onafhankelijk.

Een aantal malen, zelfs in een apart hoofdstuk, wordt ook uitgelegd waar de naam België vandaan komt. Belgium of Belgica was de naam die humanisten in de zeventiende eeuw voor de Zeventien Provinciën gebruikten. Dus Noord- en Zuid-Nederland samen. Het betekent land bij de zee en komt overeen met de betekenis van Nederland: laaggelegen land (bij de zee).

Dat ik dit niet wist verbaast me. Op de lagere school heb ik uit den treuren moeten vernemen dat Holland houtland betekent en Nederland staat voor laaggelegen land, maar over de naam van het land bezuiden de Nederlandse grens, waarmee zoveel gezamenlijke geschiedenis bestaat, werd met geen woord gerept. Tenminste voorzover ik me dat kan herinneren.

Het komt niet vaak voor, maar Pauwels zegt ook wel eens iets niet te weten. Waar de naam voor de Gambiastroom vandaan komt is hem onbekend. Vooral in Afrika bestaat de leemte in kennis van namen. Hoe dat komt is een vraag die niet aan bod komt.

Overigens zijn niet overal Europese namen achter gelaten (Onomastische sporen in het wetenschappelijke taalgebruik van Pauwels, een woordenlijstje waarin de termen zoals Hydroniem, etnoniem, hetero-etnoniem etc uitgelegd worden zou niet hebben misstaan.).

In China, Japan en Korea vinden we weinig Europese namen terug. Japan wist de kolonialen grotendeels buiten te houden en China was te groot om zich Europese namen op te laten dringen. Ook Mexico heeft veelal zijn oude namen weten te behouden. De naam Mexico zelf komt van de naam van de inwoners van het toenmalige Tenochtitlan, het huidige Mexicostad, die zichzelf Mexica noemden. Dit naar de weinig bescheiden bijnaam die ze hun stad gaven: metz-xihco (navel van de wateren van de maan). Hun taal (het Nahutatl) heeft ons de woorden tomaat, cacao, chocolade en sjiek gegeven.

Vertederend

Het is mooi dat in het boek niet alleen de keiharde geschiedenis van onderdrukking en uitbuiting naar voren komt. Dat in Canada 622 plaatsen naar de eland zijn genoemd, omdat Canadezen volgens Pauwels blijkbaar een zwak hebben voor deze grazer, is vertederend. Zelf moet ik dan toch denken aan het elandvlees in blik dat ik een paar jaar geleden meenam uit Zweden. Ook huiden brengen een aardige duit op. Dan krijgen de namen toch weer een minder vertederende betekenis.

Het boek beschrijft overigens niet alleen namen die door Europeanen zijn gegeven. In het deel over Noord-Amerika komen ook namen voor die Indiaanse stammen elkaar gaven, vaak weinig complimenteus. Irokezen of Iroquois betekent 'adders'. Het is de naam die de Huronen (bondgenoten van de Fransen) gaven aan een groep van zes verschillende stammen, waaronder de bekende Mohikanen.

In Afrika noemden de Noord-Afrikaanse berbers inwoners van de gebieden rond de monding van de Senegalstroom 'Iguinawen', stomme mensen. Dat is Guinea geworden en nog steeds bestaan Guinea en Guinea Bissau. Het belandde zelfs aan de andere kant van de wereld, in de vorm Papua Nieuw Guinea, zeg ik als leek en hoop de plank hier niet mis te slaan. (Ik vind met Google maar één treffer voor Iguinawen, en daaraan wordt een andere betekenis toegekend)

Pauwels staat verder niet stil bij deze spottende naamgeving door niet-Europeanen. Hij blijft zich keren tegen de namen die door expansionistische kapitalistische Europeanen zijn gegeven om de wereld te onderwerpen. Mogelijk zijn er soms ook minder ideologische redenen, denk ik wel eens. Naast een politieke lading zat er ook enig gemak in het omdopen van namen.

Maar de naam die Columbus gaf aan de huidige Maagdeneilanden is bepaald niet eenvoudig: Santa Ursula y las Once Mil Virgenes. De reden voor die naamgeving was dat Columbus de eilanden in oktober bereikte, ten tijde van het feest ter ere van Urusla en haar 11.000 heilige maagden. Deze vrouwen waren in de derde eeuw door de Hunnen in Keulen omgebracht. Ursula werd heilig verklaard en gaf ruim 1000 jaar later de naam van haarzelf en haar gevolg aan een groepje eilanden aan de andere kant van de Oceaan. Nu worden er als gevolg van die naamgeving platvloerse T-shirts verkocht met de tekst 'I Slept on a Virgin (island)'.

Misverstanden

Namen kwamen ook tot stand als gevolg van misverstanden. Mozambique kreeg de naam van Mozu Mbeki, een persoon die Vasco da Gama toevallig ontmoette. Canada kreeg zijn naam door het woord 'kanata' dat de zeevaarder Cartier, die de eer kreeg de ontdekker van het land genoemd te worden, steeds te horen kreeg van de lokale bevolking in antwoord op zijn vraag naar de rijkdom van het land. Het vermoeden bestaat dat kanata 'welkom' of 'dorp/land' betekende. Ook de naam van dit gigantische land berust kortom op een misverstand, al werd ook hier gedoeld op de mogelijke rijkdommen die er te halen waren.

In het stuk over de Franse beheersing van Indo-China vat Pauwels veel van zijn visie op de rol achtergronden bij het geven van namen samen. Het kwam voort uit racisme (het gevaarlijke gele ras), zendingsdrang in de vorm van de comeback van de katholieke kerk in Frankrijk en het afwenden van binnenlandse problemen (het verwerken van het verlies tijdens de Frans-Pruisische oorlog van 1870-1871). Het zijn die meer algemene beschrijvingen die maken dat je het boek kan lezen en niet alleen als encyclopedie kunt gebruiken.

Soms gaat het door het beschrijven van algemene zaken lijken op een geschiedenisboek. Dat is het niet. De beknoptheid waarmee bijvoorbeeld het ontstaan van Singapore wordt beschreven is onzinnig. Laat het achterwege, of neem er enkele zinnen meer voor.

De schrijver kan in zijn enthousiasme het onderwerp van zijn boek vergeten. De uitwijding over de gifgasaanvallen verordonneerd door Churchill op Irak (p. 229) verdient meer ruimte, maar past misschien beter elders dan in dit boek. Ik herken het mechanisme wel, dergelijke kennis brand op de vingers en moet eruit.

Mooie verhalen

Daar waar de connectie tussen het in bezit nemen door Europeanen en de namen het meest direct is, is het boek op zijn sterkst. De namen die steden en landen, rivieren en baaien kregen gebruikt de schrijver om zijn visie op kolonisatie, vroeg kapitalisme en racisme en huidige mistanden weer te geven. Vaak doet hij dat met mooie verhalen.

Het is een boek om van te smullen, om weg te leggen en later nog eens in te kijken. Zoveel mooie wetenswaardigheden binnen één kaft. Ben je minder op de feitjes en meer van de grote lijnen, dan mis je veel, maar ook dan is het boek goed te lezen. De inleiding en het besluit geven in grote lijnen Pauwels visie weer. Door de index vind je bovendien snel wetenswaardigheden over de naam die jou interesseert. De Atlas ziet er na het lezen van boek van Pauwels anders uit dan voorheen.

Europese namen voor de wereld
Jacques R. Pauwels
2008
ISBN 9789064454769
Paperback (15 x 22,5 cm)
272 pagina's met meer dan 60 illustraties
Prijs: 21.50
Uitgeverij: EPO



Deze recensie werd geschreven voor:
http://www.ravagedigitaal.org/index.htm?2008/31aug/artikel.php~mainFrame

daar is hij prachtig geïllustreerd


Andere besprekingen:
Passie voor Vrede (5/9/9)
Walgelijk (over oorlogscultuur) (28/3/9)
Botsen tegen een muur (8/3/9)
een klein meisje verweert zich (31/1/9)
Leve de derde generatie (22/12/8)
Onmetelijke rijkdom (17/11/8)
Wapens of Ontwikkeling (23/10/8)
Dood op bestelling (17/10/8)
De beschavingsoorlog (29/9/8) '
Niet iedereen kan stenen gooien (23/9/8)
Fred Spijkers: eenling in gevecht met de staat (12/9/8)