Posts tonen met het label bespreking. Alle posts tonen
Posts tonen met het label bespreking. Alle posts tonen

donderdag 1 januari 2015

De Groote Klassenoorlog 1914-1918

Herdenkingsmonument in Rue, 31 juli 2014, blog.

Om een omverwerping van de heersende orde te vermijden, kwamen adel en burgerij begin vorige eeuw uit bij oorlog. Oorlog moest de revolutie en de democratisering tegenhouden. Maar het liep anders dan de elite verwacht had.

door Martin Broek

De Groote Oorlog gaat over de plaatsbepaling van wat nu de Eerste Wereldoorlog heet. Het boek is een baksteen dik, niet vast te houden tijdens het lezen en zit barstensvol feiten. Er zijn alleen al 1002 eindnoten… Het lezen ervan is als het overzwemmen van een oceaan vol feitenparels. Iedere parel is mooi, maar iets minder en iets meer oever zou ook mooi zijn geweest.

De Canadese schrijver en historicus van Vlaamse afkomst, Jacques R. Pauwels, vangt aan met de Verlichting in 1789, ‘de mars naar meer democratie en de ontvoogding van de kleine man.’ Hij kan het niet laten ook terug te grijpen op oorlogen die aan de Verlichting vooraf zijn gegaan: de zevenjarige oorlog (1756-1763) en de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783). Die zorgden voor een fiscale crisis en creëerden een revolutionaire situatie. Oorlog baart oorlog, zo wil de schrijver benadrukken.

De centrale stelling van het boek is dat de Eerste Wereldoorlog is begonnen om deze vrijheden de kop in te drukken. Die oorlog was bedoeld om de arbeidersbeweging – die door de reactionairen als te sterk werd verondersteld – te disciplineren en onder controle te krijgen. Pauwels gaat daarin verder. De ‘contrarevolutionaire, antisocialistische’ wereldlijke en geestelijke elite wilde de oorlog gebruiken om de macht van adel, kerk en staat met krijgsmacht en kapitaal weer te herstellen. In die context hadden generaals er geen probleem mee op een dag duizenden mannen de dood in te jagen.

Bewijzen

Pauwels voert een karrenvracht aan personen aan om zijn stelling te onderbouwen, zoals Alexis de Tocqueville, die uit de Franse revolutie leerde dat oorlog er toe kan dienen ‘sociale conflicten te neutraliseren.’ De overdaad aan citaten en opgevoerde personen wordt gebruikt om te overtuigen. Maar is dat nodig? Wel als je gaat geloven in je eigen these dat de Eerste Wereldoorlog een klassenoorlog was en dat je dit tegen de klippen op wilt bewijzen. Dat officieren uit de betere standen kwamen en neerkeken op de soldaten hoeft toch niet te verbazen? In 1980 nog werd ik zelf door een officier geacht zijn schoenen te poetsen, iets wat ik weigerde, maar de man met de gouden strepen op zijn epauletten probeerde het wel. Die bewering van klassenonderscheid tussen rangen en standen wordt pagina’s lang onderbouwd.

Socialisten

Regelmatig moet ik tijdens het lezen van De Groote Klassenoorlog denken aan het boekenplankje vrijwel tegen het plafond boven mijn bureau dat werk bevat van Karl Liebknecht, Rosa Luxemburg en Henriëtte Roland-Holst. En, onvermijdelijk, ook Vladimir Iljitsj Lenin, de man die in het namenregister van Pauwels tot de best bedeelden behoort. Maar Jaurès, de Franse socialist tegen de oorlog die werd vermoord bij het uitbreken ervan – ontbreekt op mijn plank. Allen hebben zich ingezet om de arbeidersbeweging tegen de oorlog en het bestrijden van de eigen klasse te keren en mechanismen van het militarisme te duiden. Ik lees in de biografie van Roland-Holst over Rosa Luxemburg: ‘De val van het proletariaat in den huidigen wereldoorlog is zonder voorbeeld, die val is een onheil voor de menschheid. Maar verloren zou het socialisme enkel zijn, zoo het internationale proletariaat de diepte van dien val niet meten, niet daaruit leren wilde.’

Het doet me ook denken aan de slogan die ik wekelijks voorbij fiets ter hoogte van station Sloterdijk in Amsterdam: ‘No war, but class war‘. Het mocht niet zover komen. De klassen zouden elkaar tussen 1914 en 1918 wereldwijd op dood en leven bestrijden waarbij zo’n 10 miljoen Europeanen om zouden komen. En met het leren wilde het ook niet erg lukken. ‘Bij het uitbreken van de oorlog jubelt de elite, en met reden: aan de stakingen en andere sociale problemen komt plots een einde. De ware of vermeende revolutionaire bedreiging gaat in rook op’, zo begint Pauwels aan het hoofdstuk De godsvrede en het einde van de politiek.

Daarin komt aan de orde het stemmen voor de oorlogsbegroting in Duitsland, de union sacrée (waarin tegenstellingen tussen socialisten en elite werden bevroren) of de censuurwetgeving Defence of the Realm (DORA) in het Verenigd Koninkrijk (wetgeving die nog tot in de jaren ’60 werd gebruikt tegen stakingen). Protesten van de socialisten bleven goeddeels uit. Die zouden de oorlog dan ook verzwakt uitkomen. De vakbonden verdubbelden hun ledental in de oorlogsjaren wél.



 (zie)                                                                                     Foto: Martin Broek

Animo

Er is een mythe ontstaan rondom de Eerste Wereldoorlog, namelijk dat er sprake van een groot enthousiasme was om te strijden. Dit enthousiasme zou echter van zeer korte duur zijn. Pauwels voert tal van citaten aan om dit duidelijk te maken. Aan Franse zijde vielen in de eerste maand 300.000 doden en gewonden, van de Britse troepen was tegen het einde van 1914 een derde gesneuveld. Dergelijke cijfers geeft het boek ook voor de oorlog in Oostenrijk-Hongarije, Servië, België etc. Generaals beschouwden dit als een ‘malthusiaanse manier om de al te talrijke massa’s uit te dunnen’, aldus de stevige woorden van Pauwels, zonder bronvermelding dit keer.

Om de soldaten aan het front te houden, was stevige propaganda nodig. Pauwels onderscheidt hierin vier stromen: de eigen nederlagen werden verzwegen, de anderen waren de oorzaak van de oorlog, ‘onze’ strijd was rechtschapen, en na de overwinning zou alles beter worden. ‘Wij krijgen noch brieven noch kranen te zien (…) wij marcheren stom en stilzwijgend als slaven van de oorlogsgod’, citeert de schrijver een Franse soldaat. Voor de soldaten speelden drie mechanismen waardoor ze aan het front bleven: dwang, plichtsbesef en kameraadschap. Op de laatste dag vielen nog eens 2.738 doden, meer dan tijdens de landing bij Normandië in 1944.

Pauwels beschrijft ook de verbroedering die op het slagveld ontstond tussen de militairen van verschillende partijen die de in totaal 40.000 km lange loopgraven aan het front bevolkten. Niet alleen de kerstvoetbalwedstrijd van 1914 wordt genoemd, maar ook contacten op dagelijkse basis, zoals bij de Fontaine Père Hilarion waar zowel Franse als Duitse soldaten hun water haalden. Een paar pagina’s later citeert de schrijver een Franse soldaat die zich herinnert dat hij een exemplaar van het tijdschrift Le Petit Parisien inruilde voor een Duitse krant. Het zijn dit soort geluiden over de oorlog die de hoop op een betere wereld bij mij zelfs nu nog, een eeuw later, levend houden.

Koloniën

Het deel van WOI waar geen sprake was van loopgraven lijkt vaak aan de aandacht van de publieke opinie te ontsnappen. De Somme en Ieper zijn WOI, Turkije al veel minder. Pauwels is een uitgesproken links en ook internationalistisch schrijver. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij stilstaat bij een andere reden van de oorlog, namelijk het graaien naar elkanders koloniën en het sneuvelen van soldaten in den vreemde: ‘De Eerste Wereldoorlog als laatste fase van de wedloop om Afrika.’ Soldaten uit de koloniën werden ingezet, maar met weinig respect behandeld.
Ook hier baart de oorlog weer nieuwe conflicten. De door de officieren onderdrukte Ieren zouden zich nog verder van de Britten afkeren. De Japanse veroveringen in Azië resulteerden in de wedijver tussen Tokio en Washington die uiteindelijk tot oorlog met de VS zou leiden. Het verband kan niet ontkend worden, maar dit is een voorbeeld van ‘grote halen snel thuis’ hetgeen in het boek regelmatig voorkomt.

Verderop in het boek wordt het ontstaan van het huidige China aangehaald als resultaat van de Russische revolutie, ook al mogelijk gemaakt door WOI, en een erfenis van een revolutie onder leiding van Mao’s communisten. Tegen welke prijs laat de schrijver weg. Bovendien kan je veel grote geopolitieke en economische processen afleiden uit de wereldoorlog van 1914-1918. Je kan beter niet te grote slagen maken als je zo’n grabbelton – om het wat respectloos te zeggen – gebruikt.
In het hoofdstuk De lange schaduw van De Groote Oorlog brengt Pauwels ons echter met rasse en niet altijd even adequate schreden terug tot op de dag van vandaag in de eindeloze oorlog tegen het terrorisme. Dan haak ik af.

Feiten

Krijgsgevangenen trokken na 20 november 1918 
uit Duitsland naar huis. In Enschede 
werden er tot 20 januari 1919 80.000 opgevangen.
(zie) Foto: Martin Broek
Ook Bismarck komt een paar keer in het boek aan de orde met een krachtige uitspraak. De Duitse industriëlen en landadel vonden elkaar, het was het samengaan van ‘rogge en ijzer’. Verderop in het boek haalt Pauwels Bismarck aan als hij zegt dat Duitsland door de oorlog zijn eenheid in het midden van de 19e eeuw had verwezenlijkt door ‘bloed en ijzer’. Alweer zo’n twee woorden slogan die blijft hangen. Door de veelheid aan feiten ga je dit soort patroontjes herkennen.

Een heel ander feit is de creatie van de Sacré Cœur basiliek die werd gebouwd om vergiffenis te vragen voor de zonden die Frankrijk had begaan, zoals de Commune van Parijs (1871) en de scheiding van kerk en staat (1905), aldus de schrijver. Wederom geen bronvermelding. Jammer, ik voel me dan niet helemaal senang om dit als feit op te voeren. Het kerkgebouw was in 1914 klaar, ‘net op tijd om de mensenmassa’s te ontvangen die door de oorlog God zouden terugvinden’, schrijft Pauwels.

Dat de cavalerie het in de tijd van het machinegeweer nog maar slecht deed, las ik deze zomer al in de New York Times, maar dat aan het Turkse front paarden nog wel eens bruikbare wapens waren, lees ik in De Groote Klassenoorlog. Pauwels voegt daar bovendien aan toe dat het op de blubbervelden van weinig nut was. De Britser generaal Haig weigerde echter afstand van zijn paarden te doen, toen hem bevolen werd om ze te laten verschepen naar Palestina. Zo verknocht was hij aan zijn bereden militairen.

Onlangs besprak ik voor Ravage het boek De kracht van het paradijs over Europa van Jonathan Holslag. Holslag beschrijft een gordel van onzekerheid die om Europa heen ligt. Pauwels haalt een revolutionaire gordel aan voor WOI die van Spanje, via Italië en de Balkan naar Rusland leidde. Het zijn dit soort schematische wetenswaardigheden die het tot een rijk boek maken. In dit kader past dan weer het feit dat de Italiaanse socialistische partij als enige tot het einde tegen de oorlog gekant bleef. Een partij waaruit ene Mussolini, de uitgever van de krant Avanti, vertrok om zijn eigen partij te stichten. Waaruit de schrijver constateert dat het fascisme voortkomt uit de Grote Oorlog.

Ik kan wel genieten van de kleine feitjes, zoals de theoretische voettocht van België naar Zwitserland door de 40.000 km aan loopgraven. Het geeft mij – hoe banaal ook – een beeld van WOI dat ik voorheen nog niet had. Of dat Thomas Mann het uitbreken van de oorlog zag als ‘zuivering, verlossing van het giftige gemak van de vrede’. Deze schrijver wordt aangehaald om de sfeer in zijn tijd te duiden. Maar dat Mann zich later zou afkeren van die mallotige romantiek, vermeldt Pauwels niet. Is het soms omdat Pauwels zijn betoog ermee zou ontkrachten, indien de schrijver weer op zijn poten wordt gezet?

Liederen

Los van alle gegevens over propaganda, repressie, oorlogshandelingen en machtsspelletjes, valt het boek op door het grote aantal versjes en gedichten dat is opgenomen. De teksten zijn zowel pro als contra de oorlog; kwaad en vriendelijk, ironisch of direct. De teksten zijn divers en ook hier uitbundig veel en altijd vertaald.

In Flanders Fields van John McCrae ben ik door Pauwels opeens heel anders gaan interpreteren. McCrae was een Canadese luitenant-kolonel en bewonderaar van het Britse empire. Hij zag de animo voor de oorlog afnemen en schreef daarom een van de bekendste oorlogsverzen, bedoeld om de soldaten niet alleen moed in te zingen, maar ook aan het front te houden. Meeleven met de soldaten is prima, maar waarom Take up our quarrel with the foe (Neem ons gevecht met de vijand weer op) als versregel? Pauwels verwijst bovendien naar werk van Paul Fussell die dit gedicht ontlede en brandmerkte als een bijzonder krachtig en literair instrument voor oorlogspropaganda.

Er zijn versjes bij waar de schrijver geen genoeg van krijgt. Het valt op zodra je alweer de naam Georg Willis en het gedicht Any soldier to his son tegenkomt. Het zou prettig zijn geweest als Pauwels bij zo’n tweede, derde of vierde keer had vermeld dat het gedicht dit of dat onderstreept. Het zou het leesplezier hebben vergroot. Maar mooi zijn ze vaak wel. Ik kies er één uit:

Tien miljoen soldaten zijn ten oorlog getrokken.
En zullen misschien nooit terugkeren.
Tien miljoen harten van moeders moeten breken
Voor beminden die nutteloos sterven.
Het hoofd gebogen in verdriet
Hoorde ik een moeder eenzaam in haar oude jaren
Mompelen doorheen haar tranen:

Ik heb mijn jongen niet grootgebracht om soldaat te zijn,
Ik heb hem grootgebracht om mijn oogappel te zijn,
Wie heeft het lef om hem een geweer te geven,
Om te schieten op de lieve jongen van een andere moeder?
Laat de naties hun geschillen door bemiddelingen oplossen,
Het zwaard en het kanon hebben hun tijd gehad,
Er zou geen oorlog gevoerd worden,
Indien alle moeders zouden zeggen,
Ik heb mijn jongen niet grootgebracht om soldaat te zijn.

[Oorspronkelijke tekst Alfred Bryan, muziek Al Piantadosi (1915). (Wordt niet vermeld in boek) Zie ook hier. Vertaling Pauwels.]

Twijfel

Heb ik met dit boek nu wezenlijk veel bijgeleerd? Wist ik dan al niet dat militarisme disciplineert, dat de krijgsmacht en er is om de heersende macht haar binnenlandse en buitenlandse politiek uit te laten voeren? De Groote Oorlog als klassenoorlog om het proletariaat weer onder controle te krijgen, daarvan neemt de schrijver gelukkig af en toe zelf wat afstand. Internationale concurrentie om toegang tot grondstoffen (zoals olie, ja toen al), wedijver tussen industriële supermachten (Engeland en Duitsland) en koloniale politiek blijken ook belangrijke drijfveren te zijn geweest.

Even lijkt Pauwels van zichzelf te schrikken en aan zijn eigen stellingen te twijfelen als hij schrijft: ‘Het was de bedoeling om (…) een oorlog uit te lokken. De term ‘uitlokken’ is misschien enigszins overdreven. Maar de Europese elite stuurde zeker aan op oorlog en schuwde het risico ervan niet langer.’ Hier ben ik hem kwijt. ‘Uitlokken’ of erop ‘aansturen’ (wat een meer omvattende benadering lijkt), wat maakt het uit? Een paar bladzijden later schrijft hij weer dat de Duitse adel ‘aasde’ op de oorlog. Ja, mijn beeld van de Eerste Wereldoorlog is veranderd door het boek.



Tijdens het lezen van De Groote Klassenoorlog bekeek ik tevens de catalogus Oorlogsprenten van Jan Sluijters, gemaakt in het kader van een tentoonstelling in Museum de Fundatie in Zwolle. De prenten dienden als cover voor de Nieuwe Amsterdammer. Ze vertellen in detail, woord en beeld veel over de afschuw van en reden voor de oorlog. Het boek van Pauwels is rijker aan feiten. Bovendien: het hoeft niet in een keer uit. Een vat vol schatten blijft. Toch, waarom niet meer in voetnoten gestopt – welke dwaas heeft er voor gezorgd dat deze plaatsmaakten voor eindnoten, zodat ik de hele tijd zit te bladeren – en meer de grote lijn bewaakt? Had er niet het een en ander op een website gekund, eventueel met filmpjes, gedichten, verhalen van elders en activiteiten rond de herdenking of tegen oorlog?


Al voor ik De Groote Klassenoorlog ging lezen en bespreken, wist ik dat ik de cover zou noemen. Die is prachtig, met het futuristische schilderij uit 1915 La Mitrailleuse van Christopher Nevinson. Britse soldaten zitten met een machinegeweer in de loopgraaf. Nevinson heeft gruwelijker werk gemaakt en zijn schilderij Paths of Glory uit 1917 werd een jaar daarna zelfs geweerd uit een tentoonstelling.


titel 
De Groote Klassenoorlog · 1914-1918
auteur  Jacques R. Pauwels
uitgave  paperback (15 x 22,5 cm) – 672p.
uitgever  EPO, 2014
isbn  9789491297694
prijs  € 34.90


Geschreven voor Ravage Webzine


donderdag 22 mei 2014

EU: De zachtmoedige grootmacht

Jonathan Holslag beschrijft in zijn boek De kracht van het paradijs de naoorlogse economische geschiedenis van Europa dat niet langer de grootmacht is waar de rest van de wereld rekening mee houdt.
“We moeten allereerst bevreesd zijn voor onze eigen zwakheid”, zei Jonathan Holslag over Europa in het tv-programma DWDD. Holslag is verbonden aan het Brussels Institute of Contemporary China Studies. De man werd stevig aangekondigd: volgens tv-presentator Matthijs van Nieuwkerk zit er een Derde Wereldoorlog aan te komen, met China als tegenstander.

De Arabische Lente en de verovering van De Krim waren slechts opwarmertjes. China is fragiel, is een wapenwedloop begonnen en speelt steeds vaker de nationalistische kaart. Tegelijkertijd zit Europa op zijn handen en dreigt geen medespeler maar een speeltuin te worden. Holslag weerspreekt geen enkele bewering. Zijn dikke pil, De kracht van het paradijs, werd door Van Nieuwkerk aangekondigd alsof het een spannend jongensboek betreft.

Wie het boek leest ontdekt al snel dat snelle verkooppraatjes en werkelijkheid elkaar in de weg zitten. Allereerst schrijft Holslag: ‘De kans is klein dat de grootmachten in een oorlog verwikkeld raken, maar ze kunnen wel een tik uitdelen aan kleinere landen, elkaar via een omweg treffen of geleidelijk steeds dieper wegzinken in een conflict dat aanvankelijk nog beheersbaar leek.’ Op een spannende Derde Wereldoorlog moet DWDD dus nog even wachten.
Ook gaat het boek niet in de eerste plaats over China. Het is een warm pleidooi voor het omarmen, stroomlijnen en versterken van de Europese Unie. Holslag gaat op dat doel af via drie thema’s: economie, machtspolitiek en wereldorde (waarbinnen China) en praktische punten voor Europa in een poging ‘een paradijs tot stand te brengen uit een wel zeer somber wereldbeeld.’ Het is een ambitieus, eloquent en assertief boek dat veel plannenmakerij van eurofielen – door Holslag in DWDD ‘euro-idealisten’ genoemd – omvat.

Europese eenheid

Holslag beseft dat Europa geen eenheid is, zo blijkt uit zijn beschrijvingen van de situatie in verschillende landen. Europa is een bak met knikkers met verschillende kleuren en maten die maar moeilijk samen gaan in één spel. Sterker nog: zelfs binnen Europese landen spelen verschillende belangen. Het boek is zo omvangrijk dat alles wel ergens ter sprake komt, maar het dominante beeld van Europa als één instituut is bepalend. Dat instituut wordt heel vaak zwak en fragiel genoemd, maar die alarmistische opmerkingen zijn bedoeld om meer inzet en verantwoordelijkheid voor de EU op te roepen.

De Europese markt wordt slap en een schuldenmoeras genoemd, de politiek is kleingeestig. Wederom kwalificaties die tot meer dadendrang moeten leiden. Maar ‘ondanks de somberte is er geen reden Europa af te schrijven.’ [...] ‘De beste manier om scepsis teniet te doen is laten zien dat een Europees paradijs bereikbaar is, en uiteenzetten hoe we kunnen toewerken naar een samenleving die veilig, veerkrachtig in haar diversiteit, creatief en ondernemingsgezind is.’
Hoofdstuk twee wordt welluidend afgesloten: ‘Zestig jaar van Europese integratie passeren als een snoer van crises en mislukkingen, maar bij elke kraal heeft het proces standgehouden en zich verdiept. […] De vraag is waarom het deze keer anders zou gaan. Waarom zouden we ervan uitgaan dat de crisis in de eurozone de ultieme ondergang inluidt van het eenmakingsproject, de neergang ervan versnelt en de Unie naar een plek aan de buitenrand van de Aziatische eeuw drijft?’
Deze tekst doet vanaf het begin denken aan de woorden van Guy Verhofstad, de leider van de liberalen in het Europees Parlement. In een debat, georganiseerd door het Belgische weekblad Knack, blijken Holslag en Verhofstad het dan ook volledig met elkaar eens. De schrijver behoort tot het redelijke midden, dat wordt bepaald door sociaal- en christen-democratie en liberalen. Deze groepen stemmen in 70 procent van de Europese resoluties hetzelfde.

Framen

‘Wanneer Europeanen denken aan eenheid, denken ze aan procedures en processen’, zo wil Holslag ons zoals zovelen doen geloven. Hij ontneemt daarmee de heersende kritiek zijn daadwerkelijke inhoud door ze te framen als zijnde onvrede met de bureaucratie en minder als een ideologische belangenstrijd. Laat ik voor mezelf spreken, als ik aan Europa denk dan denk ik aan het de vrije markt, krappe financieringspolitiek door het zogenaamde beteugelen van nationale begrotingstekorten en -schulden en het ondergraven van arbeidsrechten.

‘Elke werker moet een ondernemer zijn die streeft naar excellentie’, schrijft Holslag om mij te sterken in mijn mening. Wat met de werkers die nu al door het ZZP-moeras geen toekomst meer zien? Holslag ziet geen probleem, mits je ze maar de vrijheid en mogelijkheden geeft en stopt met de betutteling. Pensioengelden moeten worden gebruikt om de interne markt te versterken, zo wakkert hij mijn wantrouwen aan. Omdat hij niet aangeeft aan welke voorwaarden dit zou moeten voldoen om te verzekeren dat het geld niet zomaar verdampt op de vrije markt en dan ten koste van uitkeringen zal gaan.
De constatering dat de politieke partijen geen antwoord hebben op ‘onze’ onzekerheid, lijkt me een stuk belangrijker. Dat ‘onze’ zegt veel over de schrijver. Hij zegt ook: ‘een samenleving die geen gemeenschappelijke bestemming heeft, keert zich tegen zichzelf.’ Alsof we in amorfe landen leven met één bestemming. Zal dat dan die van de middenpartijen zijn die allen de vrije markt als uitgangspunt nemen?

De economie

Er is sprake van een vertrouwenscrisis en er heerst angst, aldus Holslag. De verzorgingsstaat staat onder druk. De sociaaldemocratie heeft het moeilijk zodra die minder sociaal wordt, constateert de schrijver. Hij noemt het een worsteling tussen noodzakelijke bezuinigingen en sociale wensen. Het zou regeringen verscheuren. Toch blijft de Europese kiezer een gematigde politiek meer trouw dan wordt verondersteld. De traditionele partijen verloren in Europa gemiddeld 6 procent van hun aanhang tussen de periodes 1990-2000 en 2000-2012.
Maar al die zwaktes en het falen van Europa worden toch ook een beetje opgepoetst door de feiten die Holslag zelf opdist. ‘De gezamenlijke Europese landen hebben een handelsoverschot met de buitenwereld. Witgoed komt voor meer dan 90 procent uit Europa, evenals de meeste auto’s en zo’n 30 procent van de tv-sets. In de jaren ’90 namen de 27 EU-landen 31 procent van de mondiale economische output voor hun rekening, in de afgelopen tien jaar nog 29 procent – ondanks de crisis, de opkomst van China etc. Bovendien is Europa goed voor 33 procent van de wereldwijde export.’
‘Europa genereert 29 procent van ‘s werelds rijkdom met 8 procent van de wereldbevolking en op 3 procent van het aardoppervlak.’ [...] ‘De economie van Europa blijft per slot van rekening de grootste’, zo stelt de schrijver naast zijn kommer en kwel.

Militaire zaken

Holslag is politicoloog (internationale betrekkingen) en historicus. Beide beroepen zorgen voor een wijde blik op de wereld. Toch gaat er regelmatig iets mis. Denemarken zou zich niets gelegen laten liggen aan ‘piraten in de Middellandse Zee’. Drie cruciale fouten in een bewering. Denemarken is een scheepvaartnatie van de eerste orde, denk bijvoorbeeld aan rederij Maersk. Bovendien zijn de piraten in de Middellandse Zee al ruim een eeuw vertrokken en zijn momenteel de meest nabije actief voor de West- en Oost-Afrikaanse kust. Daarbij neemt de Deense marine deel aan de militaire vloot voor de kust van Somalië. Dergelijke argumenten uit de hoge hoed zijn er wel meer.
De schrijver staat uitgebreid stil bij militaire zaken, maar dat deel van het boek rammelt. De grove schetsen die hij tekent zijn echter wel van waarde om te denken over een richting die de EU militair uit zou kunnen gaan. Momenteel neemt de gedachte aan een Europees leger steeds sterkere vormen aan in delen van het Europese Parlement. (zie bijvoorbeeld deze publicatie).

De wereld geschetst

De wereld is in de ogen van Europa door Holslag als volgt schematisch ingedeeld: er is één ware wereldmacht en er zijn twee regionale grootmachten met mondiale ambities, China en de EU. Bovendien is er nog een legertje aan regionale (groot) machten, zoals Brazilië, India (met de potentie van supermacht), Japan, Zuid-Korea en Zuid-Afrika die de pretenties van de grote drie op de proef kunnen stellen. De terminologie grootmacht of regionale macht wordt nogal rommelig gebruikt, dat maakt het niet duidelijker.
De opmerkelijkste categorie bestaat uit de strategische sjacheraars. Daarmee worden Turkije, Rusland, Iran en Saoedi-Arabië bedoeld die door hun geografische positie als eerste profiteren van het handelsverkeer tussen Oost en West. Dat stelt ze in staat een autonome rol te vervullen in de internationale politiek.
Met die landen dient de EU banden aan te knopen om de stabiliteit te handhaven en onnodige conflicten om invloed te voorkomen. De Unie wordt verder omringd door een gordel van onzekerheid die loopt van Marokko, via het Midden-Oosten naar de Oekraïne. Bezuiden van de Sahara en naar het Oosten (van Birma tot Iran) ligt de ‘Wig van Ontberingen’ waar oorlog, honger en armoede de dienst uitmaken.
 
De geopolitieke aanpak van Europa komt, samengevat, op het volgende neer: ‘eerst consolideren we onze positie in de gordel van onzekerheid, daarna benaderen we de strategische sjacheraars, waarna nieuwe synergieën met hen opnieuw onze positie in de gordel van onzekerheid verstevigen; vervolgens duiken we dieper in de wig van ontberingen, waardoor we onze banden met de vier strategische sjacheraars zullen versterken, en daarmee ook onze betrekkingen in de gordel van onzekerheid, waarna we enkele partnerschappen verder van ons vandaan gaan prioriteren.’
Of Holslag de banden met bijvoorbeeld Turkije een dienst bewijst met de volgende typering van de Turkse premier Erdogan, is nog maar de vraag: Hij ‘marcheert als een krijger, met de stuurse blik van een slavendrijver en de droeve ogen van een straathond.’ Hoe hij erbij komt dat Europa geen partner van Saoedi-Arabië is geworden? Zowel militair als economisch is Riyad een belangrijke partner voor veel Europese landen. Lees de ex- en importcijfers er maar op na.
Met betrekking tot sjacheraar Rusland waarschuwt Holslag ervoor dat Moskou niet wil dat de Oekraïne binnen de westerse invloedssfeer valt. Europa moet daarom de autonomie van Kiev verdedigen, stelt hij. Europa deed dat nogal overenthousiast met bijvoorbeeld bezoekjes aan de extreem-rechtse demonstranten op het Majdanplein en een handelsakkoord. Waar dat toe heeft geleid, is inmiddels duidelijk. Europa zal een volwassen relatie met Rusland moeten krijgen, schrijft hij, anders blijven staten in het Oosten zich vastklampen aan de VS. Maar wat meer ‘politieke empathie’ is dan wel gewenst.

Zachtmoedige kijk

Holslag beschrijft de kracht van onderhandelingen, internationale organisaties, diplomatie en gesprek, maar ook een versteviging van de Europese militaire macht is in zijn ogen noodzakelijk. Nu is Europa, volgens de schrijver, vooral een continent dat een zachtmoedige kijk heeft op de wereld om zich heen. De EU was de eerste speler waarvan het gehele buitenlandse en veiligheidsbeleid op idealisme werd gebouwd, stelt hij met misnoegen, aangezien dit niet past in de harde wereld van de machtspolitiek.
15Het gegeven dat Europa een neutrale bemiddelaar is, kan ook voordelig zijn. De neiging bestaat wel eens de zwakte van Europa te overdrijven. Vaak blijkt dan dat de sterkte van de VS als uitgangspunt genomen wordt (en iedereen weet in hoeverre de VS zich daarvoor in de schulden heeft gestoken). Bijgaande grafiek laat bovendien zien dat dit wel mee valt.

De door Holslag beschreven zwakte wordt opgevolgd door aanbevelingen. Ten eerste dient Europa zijn nucleaire afschrikking te handhaven. ‘Een vloot van acht strategische onderzeeërs is het absolute minimum’, stelt Holslag. Hij gaat mee met modieuze onderwerpen als cyber-security, wil een raketschild, carrier battle groups (een vliegdekschip met een omringende vloot) voor de kust van West-Afrika, in de Middellandse Zee en Indische Oceaan. Hij plant bases op een kaartje. De defensie-uitgaven mogen niet minder dan 2 procent bedragen en wapenfabrikanten moeten samenwerken daar waar Europa gezamenlijk gaat aanbesteden. Je hoort de defensielobby aan alle kanten opklinken.

De eeuw van Azië

De bewering dat de 21e eeuw de eeuw van Azië zal zijn, wordt vaak onderbouwd met het feit dat de VS zijn militaire aanwezigheid in Europa afbouwt en zich meer en meer richt op Azië. Die tendens is zeker zichtbaar, maar dat neemt niet weg dat de Atlantische banden nog steeds zeer sterk zijn.
Bovendien speelt Europa nog immer een belangrijke rol binnen de Amerikaanse politiek. Bijvoorbeeld bij het ondersteunen van operaties in het Midden-Oosten, Afrika (het Amerikaanse Afrika Commando bevindt zich in het Duitse Wiesbaden) en het hoge Noorden, aldus generaal Frank Gorenc, de commandant van de Amerikaanse luchtstrijdkrachten in Europa en Afrika. ‘Deze samenwerking [binnen de NAVO] geeft de mogelijkheid om daar te zijn waar we moeten zijn, niet alleen voor NAVO-belangen, maar voor Amerikaanse.’ (Defense News 17/3/14) Die visie past misschien niet zo goed in het met grove kwast schetsen van de wereld, maar wat nu een nuance lijkt kan evengoed hoofdzaak worden.

Verrassend is het dat Holslag ook de relatie met Washington tegen het licht houdt. De VS heeft misschien wel dezelfde tradities als Europa, maar ook zijn eigen belangen, zo onderstreept hij: ‘Uit angst het af te leggen tegen China startte de Europese Commissie onderhandelingen over een vrijhandelsverdrag met de Verenigde Staten. Maar wat men daarbij leek te vergeten, was bijvoorbeeld dat Amerika ondanks de handelsbesprekingen een beleid voerde dat schadelijk was voor Europese producenten’, zo schrijft hij over het omstreden TRIP-verdrag.
Verderop: ‘Onze geopolitieke belangen vallen dus niet noodzakelijk samen, en het is zelfs onvermijdelijk dat een macht die is ingebed in het onrustige Euraziatische continent een veel fijnmaziger en verstandiger veiligheidsstrategie vereist dan een eilandmacht die kan denken in wij tegen zij logica en zich naar eigen goeddunken met een conflict kan bemoeien.’ Samenwerking dient uit te gaan van geopolitieke oriëntaties en niet van routinepolitiek.

Speeltuin

De Europese economie is nog steeds sterk, maar staat onder druk. Daar moeten nieuwe duurzame een innovatieve impulsen aan gegeven worden (met name in kwaliteitshuisvesting, openbare – infrastructuur zoals gezamenlijke energievoorziening – de watervoorziening, transport en vervoer, onderwijs, gezondheidszorg, en de industrie).

Europa moet een geloofwaardige militaire en machtspolitieke speler worden door een gezamenlijk veiligheidsbeleid te ontwikkelen gericht op de omliggende landen. Het dient ook een beleid te hebben voor de ‘wig van ontbering’, omdat dit anders een ‘gigantisch zwart gat’ wordt dat ook bij ons voor instabiliteit zal zorgen. Bovendien is het rijk aan grondstoffen en wingebied voor grootmachten.
Door de crisis was er minder ruimte voor eenheid. Staten gaan steeds meer voor eigen belangen, om de sociale onvrede te dempen. ‘Nu de wereld één gigantische arena is waarin graaiende staten bikkelen om invloed, gaat behendigheid boven behoedzaamheid’, schrijft Holslag in het begin van zijn boek. ‘Voor het eerst sinds eeuwen zal Europa de rest van de wereld niet als speeltuin tot zijn beschikking hebben om interne conflicten op te lossen, maar heeft de rest van de wereld Europa als speeltuin voor een nieuwe episode van economische twisten, strategische rivaliteit en radicalisering.’

Bij DWDD was Holslag een begenadigd spreker, in zijn boek een levendig schrijver met een alarmistische boodschap. Met veel ben ik het niet eens. Europa is niet zo zwak, kernwapens moeten verdwijnen, Saoedi-Arabië is eerder teveel dan te weinig partner. Grootmacht-politiek bedrijven leidt tot ongelukken en laat mij maar in een zachtmoedige grootmacht wonen. Maar het boek motiveert ook om nét iets verder te denken.


titel  De kracht van het paradijs; Hoe Europa kan overleven in de Aziatische eeuw
auteur  Jonathan Holslag  
uitgever   Bezige Bij Antwerpen, 2014
uitgave   608 pagina’s
isbn   9789085425298
prijs   € 34.99

maandag 13 mei 2013

Verzet is onmisbaar voor een democratie

‘Democratie is geen toestand maar een beweging die nooit kan eindigen’, aldus filosoof en activist Thomas Decreus. ‘Concreet betekent dit dat we het democratische van de democratie moeten vereenzelvigen met het moment van strijd en verzet.’

De schrijver van Een paradijs waait uit de storm beweert dat zijn boek niet als een politiek pamflet omschreven mag worden, maar dat is het wel degelijk. De vragen die hij de revue laat passeren zijn het logische gevolg van politiek handelen en dienen daar inhoud aan te geven.

Auteur en filosoof Thomas Decreus was een van de organisatoren van de ‘grote onvrede’ SHAME-demonstratie van januari 2011 in Brussel. Samen met een paar collega-studenten wist hij binnen korte tijd 35.000 mensen op de been te brengen voor een protest tegen de stilstaande Belgische politieke klasse. Decreus gaat in zijn boek op zoek naar het karakter van deze storm, naar een manier om dichtbij het paradijs te geraken zonder daar ooit aan te komen. Hij stelt dat verzet onmisbaar is voor een beginnende democratie. Tegelijk is hij de mening toegedaan dat democratie nooit bereikt zal worden, maar continu wordt bevochten.

Markt en staat

Decreus onderzoekt allereerst het grootste probleem: het marktdenken. Het systeem van de vrije markt of neoliberisme – hij gebruikt deze termen door elkaar – is zo dominant dat een alternatief bijna ondenkbaar lijkt. Net als velen verbaast hij zich erover dat dit systeem – ondanks het enorme falen in de afgelopen jaren – nog steeds grotendeels intact blijkt te zijn.

Decreus begrijpt dat de markt als een ideaal organisatiemodel wordt gezien, beter functionerend dan de overheid. ‘Tegenover een traag werkende en verticaal gestructureerde bureaucratie, die bovendien op een systeem van controle en discipline is gebaseerd, oogt de markt inderdaad als een begerenswaardig alternatief. Althans in theorie.’

Hij weigert echter onderscheid te maken tussen staat en markt. De staat versterkt in een onderlinge strijd en middels samenwerking de kracht van de markt. De staat beschikt over een geweldsmonopolie om de naleving van contractuele verplichtingen te garanderen en sociale onvrede de kop in te kunnen drukken. Op internationaal vlak hebben grote staten middels EU, NAVO, het IMF, de VN en de G8/G20 hun macht ten opzichte van de kleineren versterkt. Decreus vat het als volgt samen: ‘Vrijmaking van de handel leidde niet tot het verdwijnen van de politieke macht, maar wel tot een vrij radicale reorganisatie van de centra van de politieke macht.’

Dit lijkt me geen nieuw gezichtspunt. De relatie tussen markt en staat is al vanaf het begin van het kapitalisme een gegeven. Profits from power heet het prachtige standaardwerk van Frederic C. Lane over het vroege kapitalisme en de relatie tussen staat, bankiers en het economische systeem. Winsten werden weer geïnvesteerd in nieuwe militaire slagkracht voor de staat.

En zo is dat nog steeds (met enige verschuivingen naar private bedrijven die toegang krijgen tot een deel van het geweldsmonopolie, nu sommige militaire taken geprivatiseerd worden). De macht is gedeeld: de ene keer ligt de staat boven, een andere keer de grote ondernemer.

Politiek

Het kapitalistische systeem blijkt sterk. Crises worden overwonnen en in het voordeel omgebogen. ‘Of en hoelang dit nog zal lukken, is een vraag die moeilijk a priori te beantwoorden is, omdat het afhankelijk is van ons eigen politiek handelen’, schrijft Decreus. Hij neemt daarmee afstand van het marxistisch determinisme, dat stelt dat het kapitalisme vanzelf aan zijn eigen tegenstellingen ten onder zal gaan.

Bij Decreus komen veranderingen voort uit handelen. Dat dit handelen noodzaak is, onderstreept hij met een bekend voorbeeld: de farmaceutische industrie ontwikkelt voor veel geld dure medicijnen, maar een probleem als malaria, dat voor komt in arme gebieden, wordt niet getackeld omdat deze patiënten niet kapitaalkrachtig zijn. De markt kan dit soort problemen niet oplossen.

‘Door de markt aan zichzelf over te laten wordt het klassieke democratische ideaal van machtsgelijkheid dus onmogelijk gemaakt’, stelt de filosoof dan ook vast. Democratie betekent niet alleen gelijkheid van het individu, maar ook de mogelijkheid voor een ieder om zich te kunnen ontplooien. Om dat te bereiken moet niet het private domein leidend zijn, maar het publieke. Dat moet politiek geregeld worden: ‘Iedere economische ordening [is] steeds het resultaat van politieke besluitvorming.’

Invloed

Waarom heeft in het huidige systeem de burger geen invloed? Dat is het thema van een hoofdstuk met de ietwat pedante titel ‘Electieve aristocratie’. Hierin neemt Decreus de visie op de korrel dat democratie hetzelfde zou zijn als verkiezingen. Hij speelt daarmee in op een groeiende onvrede over verkiezingsbeloften die vrijwel stelselmatig worden gebroken en dat de stemmende burger vervolgens het nakijken heeft. Decreus is van mening dat verkiezingen ondemocratisch zijn. Mensen die veel weten, kunnen of hebben, zijn in het voordeel ten opzichte van hen met minder mogelijkheden. Niet stemmen dus maar loten. Dit, plus het beperken van bestuurlijke functie in tijd, zal ons democratie brengen. Bovendien leidt een systeem van loting ertoe dat het nuttig en noodzakelijk is iedereen uitvoeriger te scholen en te betrekken bij politiek en maatschappij, waardoor men uit kan groeien tot een volwaardig burger.

Zwak punt aan deze redenering is dat ik niet voor een persoon kies maar voor een idee zodra ik het stembureau bezoek. Bovendien geloof ik wel degelijk in het gegeven dat voor ‘de bepaling van het algemeen belang speciale vereisten en talenten’ veronderstelt mogen worden. Zeker als je die ook nog eens in de praktijk moet vormgeven. Niet iedereen kan besturen.

Gelukkig ziet Decreus ook voordelen aan verkiezingen: ‘Het heeft inderdaad bijgedragen tot emancipatie van grote bevolkingsgroepen en het heeft een politieke en sociale beweging zonder weerga ingezet.’ Toch blijft hij erbij dat men verkozen wordt op grond van rijkdom. Niet enkel in financiële zin, maar ook de mogelijkheid om jezelf op informele wijze een plek te verwerven binnen een partij, en ‘netwerken is een elitaire bezigheid.’

Hij trekt dit vervolgens door naar de stelling dat er geen echt onderscheid is te maken tussen politieke en economische elites. Dat klopt misschien grotendeels, maar het is geen wet van Meden en Perzen. De SP was – zeker in de begintijd van haar aanwezigheid in Den Haag – een partij die liet zien dat het ook anders kan. Ze bracht een schilder met enkel lagere school opleiding in de Kamer die het jarenlang volhield. Weliswaar op grond van actievoeren – en daardoor status – binnen de partij, maar het was wel een afwijking van het gangbare.

Volgens mij richt Decreus zijn pijlen hier dan ook verkeerd. Er zouden inderdaad meer mogelijkheden moeten zijn voor het actief meebesturen en meedenken over zaken als inrichting van de publieke ruimte, werk etc. Met andere woorden, meer opleidingsplaatsen voor actieve democratie zodat meer mensen kansen zullen krijgen. Maar door op theoretische wijze de parlementaire democratie om te leggen door deze per definitie te bestempelen als zijnde aristocratisch, heeft weinig zin. Sterker nog, het is onjuist.

Conflicten

Er is iets fout aan een systeem indien binnen een democratie zaken worden opgelost middels dialoog, zo stelt Decreus. Politiek bedrijven impliceert conflicten. Tegenstanders staan blijvend tegenover elkaar omdat nu eenmaal niet alle conflicten door dialoog zijn op te lossen. Dat gebeurt door strijd.

In Nederland wordt er gejuicht als er weer eens een compromis is bereikt tussen overheid, werkgevers en werknemers. Dat er hierbij sprake is van een fundamentele belangentegenstelling, wordt niet of nauwelijks benoemd. Ook niet dat de kloof tussen rijk en arm groter wordt en dat zorg voor de armen onbetaalbaar en voor de rijken bijgekocht kan worden.

Decreus is geen voorstander van een constante strijd tussen partijen: ‘Dit is ook waar het in politiek in essentie om draait: het komt erop aan om machtsconflicten tussen tegengestelde maatschappijvisies enigszins ordentelijk te laten verlopen, maar niet noodzakelijk op te lossen.’ Dit is een redelijk, maar vooral ook duidelijk standpunt. Het opent ook de weg voor een zoektocht naar methoden om het machtsspel te kunnen spelen en de sterkte ter linkerzijde van het politieke spectrum te vergroten.

Wat Decreus betreft betekent dit allereerst een strijd voor meer democratie: ‘Er is geen eindpunt van de strijd: iedere nieuwe (democratische) orde zal leiden tot potentieel nieuwe, niet te anticiperen ongelijkheden die op hun beurt opnieuw moeten worden bestreden. Hieruit volgt dat democratie geen toestand is, maar een beweging die nooit kan eindigen. [...] Concreet betekent dit dat we het democratische van de democratie moeten vereenzelvigen met het moment van strijd en verzet.’ Dit lijkt me de centrale stelling van het boek. Decreus noemt vakbonden en sociale wetgeving als voorbeelden van de democratische gevolgen van strijd. Je kan ook feminisme en anti-racisme noemen, of de anti-kernenergie beweging en het feit dat er geen kerncentrales meer bij worden gebouwd.

Verzet onmisbaar

In het laatste hoofdstuk wordt stevig doorgedacht over het gegeven waarom verzet voor een democratie onmisbaar is. In eerste instantie lijkt de norm dat je niet moet tornen aan wat democratisch besloten is veel logischer. De activist Decreus stelt dat het gewelddadig overtreden van rechtsregels nieuwe rechtsregels creëert.

Verzet is een remedie tegen machtsongelijkheid. ‘Bijgevolg kan een systeem pas democratisch worden genoemd als het openheid laat voor verzet (tegen zichzelf).’ Hij beargumenteert dat het niet alleen wenselijk is, maar zelfs noodzakelijk om politieke besluiten door acties overhoop te gooien.

Een paradijs waait uit de storm is een prachtig boek voor beginnende, maar ook ervaren activisten. Je krijgt in een notendop veel vragen en antwoorden waarmee je het al dan niet eens kunt zijn. Decreus sluit af met een opdracht: ‘Markt en democratie moeten opnieuw als onverzoenbare tegenstellingen tegenover elkaar worden geplaatst. Zolang dit niet gebeurt, zal democratisch links niet uit haar as herrijzen.’ En dat voor een essay dat stelt niet politiek te zijn.

Geschreven voor Ravage Webzine



titel Een paradijs waait uit de storm; Over markt, democratie en verzet
auteur Thomas Decreus
uitgever EPO, 2013
uitgave Paperback, 160 pagina’s
isbn 978 94 91297 33 5
prijs € 15.00

Zie ook andere besprekingen via de site van EPO

dinsdag 11 oktober 2011

De kat van Melatti; betoverend poppenspel

De kat van Melatti is qua vormgeving en spel mooi en grandioos. Theater Lakon speelt met de Indonesische wajang, poppenspel, toneeltechnieken en voordrachtkunst.


Afgeladen vol zat het Poppentheater Amstelveen tijdens de première begin oktober. Kinderen vanaf drie tot een jaar of tien met ouders, opa's en oma's. In het TV-tijdperk kwamen ze af op een vorm van verhalen vertellen die ouder is dan de oudste beeldschermen. Die middag speelt De Kat van Melatti, een verhaal over water, vertelt door Jet Smeets en Ista Putranto van Theater Lakon.

Al eerder zag ik Oom Gong van hetzelfde gezelschap. Het was een voorstelling die me verbaasde doordat de grenzen tussen poppen en spelers, tussen echt en onecht, helemaal vervaagde. Theater Lakon speelt met de Indonesische wajang, Nederlands poppenspel, toneeltechnieken en voordrachtkunst. De kat van Melatti is gemaakt in Nederland, al is de muziek afkomstig uit Indonesië, zonder echt Indonesch te zijn. Het stuk ademt de uitwisseling tussen Indonesië en Nederland en tussen moderniteit en traditie.

De voorstelling vertelt het verhaal van een 8-jarig meisje dat sinds een tsunami ziek in bed ligt en steeds zieker wordt. Ze woont bij haar oma, die ze tijdens diezelfde tsunami redde, in een traditioneel huisje aan het water. Melatti wordt steeds overvallen door angstdromen waarin de tsunami terugkomt: vissen zweven over het podium en achter de twee grootbeeld wajangschermen; beelden verschuiven en verkleuren van hel licht tot diepblauw; en de muziek bereikt zijn hoogtepunt in koortsachtig gitaarspel.

Melatti's ouders werken in de stad bij een flessenfabriek. Ze bellen af en toe om te vragen hoe het met hun dochter gaat. Dat leidt iedere keer tot een moeizaam gebruik van het mobieltje. Het is een van de terugkerende grappen die tot gelach vanuit de zaal leiden. Oma doet het huishouden en geeft Melatti toverwater uit een bron die ouder is dan zijzelf. De bron blijkt aan het eind van het verhaal vervuild te zijn door de flessenfabriek. Het is de kat die dit uitvindt tijdens een fraai vormgegeven zoektocht, en die daar met recht bijzonder trots op is.

Het stuk doet me denken aan de manier waarop Indonesische activisten naar dorpen trekken om de bevolking uit te leggen waar de oorzaken van een probleem gezocht moeten worden. Een verschijnsel dat met een mooi Indonesisch woord advokasi wordt genoemd. Ik herinner me een betoog van een Indonesische vrouw over de vervuiling door een papierfabriek die zijn afvalwater loodsde op de rivier en financiering ervan door Westerse overheden. Mensen in de wijde omgeving werden ziek van de chemicaliën. Er was nauwelijks een woord dat ik van haar verhaal verstond, maar ik werd meegesleept door haar voordrachtskunst; waar woorden, klank en mimiek zo'n belangrijke rol in speelden.

Van agitatie is bij De kat van Melatti hier geen sprake. Het draait vooral om de vertelkunst, om het spel. Maar er is ook een niet opdringerige duidelijke boodschap: water is belangrijk, maar er kan mee gesjoemeld worden. Wat mij betreft wordt het verhaal daarover net iets te gemakkelijk afgerond door de kat die zo trots als een pauw zijn visies op water en over zijn eigen heldendaad vertelt.

De voorstelling mondt daarmee uit in een boodschap aan Nederlandse kinderen in de huiselijke situatie: 'laat de kraan niet lopen'; en 'water wees er zuinig mee'. Deze voorstelling heeft zoveel kracht, diepgang en is zo kunstig verteld dat een iets ingewikkelder en verder-van-mijn-bed slot ook mogelijk zou zijn. Volgens de dramaturg van de voorstelling, Jan Smeets, is dat de taak voor ouders en onderwijzers.

Het poppenspel van Theater Lukon doet meer dan een verhaal vertellen. De poëzie van de Indonesische taal wordt gebruikt. Oma praat nu en dan in het bahasa Indonesia, waardoor je uit Nederland weg kan dromen en wat de voorstelling groter maakt. De zaal reageerde nauwelijks met onbegrip op de voor de meeste onverstaanbare woorden (ze worden terloops vertaald door de kat of Melatti).

Voor me zaten kinderen die steeds opmerkten dat de poppen bewogen werden door mensen en handen: “Ze kunnen er niets van,” hoorde ik ze zeggen. Het grootste deel gaat de zaal ging wel mee met de overtuigend neergezette karakters en het verhaal. Het wordt stil in de zaal bij de onzekerheid over het welzijn van Melatti: dood of levend?

Een zaal vol volwassenen en kinderen die naar een verhaal over schoon drinkwater, een ziek meisje en vervuiling kijken. Menig NGO zou jaloers zijn op zoveel aandacht. Het poppentheater laat hier zijn grote kracht zien. De Kat van Melatti was mooi en grandioos qua vormgeving en spel. En, als je iets mooi vertelt dan krijg je mensen mee. Of zullen in ieder geval naar je luisteren.



De kat van Melatti
Theater Lakon
Spel en poppen: Ista Putranto en Jet Smeets
Regie: Trudie Lute
Script: i.s.m. Florian Kullberg
Muziek: Doni Wijanarko
Decor: i.s.m. Dodog Soeseno
Dramaturgie: Jan Smeets
Voorstelling en speellijst zie: http://bit.ly/mZPPYX