Posts tonen met het label china. Alle posts tonen
Posts tonen met het label china. Alle posts tonen

woensdag 29 juni 2022

Boekbespreking: het temmen van een dreigend conflict

Taming Sino-American rivalry van Feng Zhang & Richard Ned Lebow heeft een opvallende titel. Niet een zoveelste variatie op de Thucydides val* genoemd als opmaat naar de onvermijdelijke kladderadatsch, maar een zoektocht naar een oplossing: het temmen van het conflict. Het boek valt ook op omdat de ene schrijver professor is in Engeland en de ander in Guangzhou, China.
Los van de Oekraïne kan ik het niet lezen. Maar het gaat over een dreigend conflict aan de andere kant van de wereld; tussen de voor Europa belangrijkste bondgenoot aan de ene en de belangrijkste handelspartner aan de andere kant.

Er zijn volgens de auteurs altijd diplomatieke mogelijkheden om een ramkoers te vermijden. Voordat de schrijvers bij de diplomatie zijn, brengen ze de lezer langs de beleidsmatige en militaire fouten die China en de Verenigde Staten maakten, afschrikkingsstrategieën, vertrouwenwekkende maatregelen en dit alles omlijst met een zee aan kennis en feiten; teveel om mee te nemen in een bespreking.

Vertoog

In de Verenigde Staten vindt al enige tijd een flinke verschuiving plaats op het gebied van de verhouding met China. In 2007 was die relatie nog niet vijandig. De landen werkten samen op het gebied van klimaatverandering en het intomen van de Iraanse nucleaire macht. Acht jaar later was dit weg. Wat ging er mis, vragen de schrijvers zich af. De Amerikaanse militaire aanwezigheid in Azië werd verdubbeld zoals het Pentagon in 2012 aankondigde.In China werd deze verschuiving gezien als onderstreping van de analyse dat een belangrijk deel van de Amerikaanse elite China wil belemmeren een concurrent op het wereldtoneel te worden.
Analisten in de Verenigde Staten stelden vast dat flink doen naar China inmiddels zowel binnen links als rechts in bon ton is. Het is de strijd tussen het vrije liberale systeem en het repressieve. China zou streven naar het vervangen van de Verenigde Staten als wereldleider.
Het boek is geschreven in september 2019. Sindsdien wordt het Chinese gevaar alleen maar steeds sterker benadrukt  De antwoorden van Beijing op de Russische invasie van Oekraïne heeft dit nog versterkt. Beijing schuift steeds dichter naar Moskou. Een nieuw blok ontstaat (met als voorlopig hoogte punt het NAVO-standpunt 13, p. 5).

De City on the Hill waar men weet en bepaalt wat goed is voor de wereld (waar men zijn zelfvertrouwen haalt uit die overheersende macht en elke scheur in de muur van de macht aan de bevolking weet te verkopen als een gevaar) staat tegenover Beijing dat wat het beschouwd als zijn historische rechtmatige positie weer in wil nemen na de grote vernederingen van de 19e eeuw.

Assertiviteit

Onder Hu Jintao (2003-12), de voorganger van de huidige president Xi Xiping, werd door China gekozen voor een positie van verantwoordelijke belanghebbende op het wereldtoneel. Een assertieve Chinese politiek zou er immers toe kunnen leiden dat China andere landen, ook in het Zuiden van zich zou kunnen vervreemden. Voorbeeldige samenwerking, zonder te streven naar grote veranderingen zouden China acceptabeler moeten maken om gladjes de invloed te vergroten. Onder Xi werd China krachtdadiger. Nu is assertiviteit niet altijd slecht. Het onder controle houden van Noord-Korea is bijvoorbeeld in het belang van de wereld. Uiteindelijk moeten we die assertiviteit ook niet overdrijven; de Chinese politiek is nog steeds vooral naar het binnenland gericht. De Chinese leiding hecht bovenal aan het handhaven van de macht van de Communistische Partij en binnenlandse stabiliteit, meer dan aan het buitenland.

'Nationale belangen'

Er is geen sprake van een fundamentele belangenstrijd tussen de VS en China volgens de auteurs en daar waar die wel wordt geconstateerd, is dikwijls sprake van onbegrepen gezamenlijke belangen. Het zeer sterk levende idee dat een opkomende macht als een soort automatisme in conflict komt met de macht die eerder de macht had kent in de afgelopen 500 jaar geen duidelijk voorbeeld; eerder van het gegeven dat de nieuwe macht hulp zoekt bij zijn voorganger en geen dominantie door oorlog.

Realisme

Het boek neemt krachtig afstand van het offensieve Realistische denken, omdat het een theorie is die niet op historische feiten is gebaseerd. De auteurs beschouwen het als een gevaarlijke ideologie waarvan voorspellingen uit kunnen komen, omdat ze zichzelf vervullen. Ook de rol van de machtsbalans bij het voorkomen van conflicten wordt overschat. Oorlogen zijn net zo vaak begonnen door landen met een voordelige positie als door lander die juist zwakker stonden. Uit het bestuderen van grote oorlogen tussen 1648-2018 is gebleken dat opkomende machten vrijwel nooit grootmachten aanvallen of omgekeerd. Aanvallers wonnen sinds 1648 minder dan de helft van de oorlogen die ze begonnen en sinds 1945 werd in 26 procent van de gevallen bereikt wat men wilde. Het is een teken aan de wand dat agressors oorlogen begonnen waar ze de al op achterstand stonden. Macht voorkomt oorlog dus niet. Het is een belangrijke waarschuwing.

Het conflict tussen China en de Verenigde Staten, draait volgens de auteurs niet in de eerste plaats om veiligheid. Hardliners, Pentagon en militaire industriëlen schilderen het graag zo af om het militaire budget verder te verhogen, een actieve bondgenotenpolitiek in Azië te verstevigen en het aanpakken van China te verdedigen en zo hun belangen te versterken.
Een militaire capaciteit om de ander te dwingen moet bovendien enorm zijn en zelfs dan (Vietnam, Afghanistan) is succes niet verzekerd. De zwakkere partij kan zijn militairen/bevolking er van overtuigen dat hun leven beïnvloed zal worden door de uitkomsten van de strijd. Zo kunnen ze tot meer inzet/strijd/offers worden bewogen.
Bovendien gaan niet alle ontwikkelingen via de weg van de macht. Welke afweging maakte Gorbatsjov in de jaren tachtig (nog niet eens zo lang geleden)? Dat de Sovjet Unie de bewapeningsstrijd financieel niet meer bij kon benen, zoals de conventionele redenering luidt, of dat de bewapeningsuitgaven verspilling waren, gevaarlijk bovendien, en Europa gebaat bij een Gezamenlijk Huis?

Afschrikking

Het militaire establishment van de Verenigde Staten wil de mogelijkheden hebben in alle omstandigheden te domineren. Met betrekking tot China is de Amerikaanse strategie voor inzet van zee- en landmacht erop gericht de Chinese verdediging te verslaan. De VS wil in Azië vermijden dat China de Amerikaanse militaire superioriteit kan aantasten. Deze strategie heeft een hegemonistische offensieve inslag.
Wat stelt China daar tegenover behalve de bekende vooruitgeschoven defensie? Iets wat hou fa zhi ren (de opperhand krijgen door terug te slaan bij een aanval) heet. De begrippen defensief en offensief lopen in de Chinese militaire doctrine in elkaar over. In ieder geval zijn de militaire activiteiten gericht op binnenlandse taken en inzet niet ver van China vandaan; niet op overzeese expansie of agressie. Hoewel er sinds de Golfoorlog van 1990-91 wel meer nadruk is komen te liggen op geavanceerde technologie en het verdedigen van economische aanvoerlijnen.
Afschrikking baseert zich op de bereidheid geweld te gebruiken en geloofwaardig naar buiten te brengen. Kernwapens hebben de afschrikking bijna volledig gemaakt. Wie begint er nog een oorlog? Een nieuw aspect van afschrikking is dan ook “als leider de reputatie ontwikkelen dat je irrationeel bent om daardoor geloofwaardig te zijn.” Is dat Poetin aan die lange tafel en dan half verklarend dat hij eventueel kernwapens wil inzetten? Was hier sprake van bewust de halfgare uithangen? Hoe gevaarlijk is dat? De schrijvers merken op dat conflicten kunnen uitbreken als machthebbers wanhopig en eminent verlies zien opdoemen. Druk kan de situatie juist verergeren.**

Eigendunk

China haalde de toenadering die in 2009 door Obama administratie was begonnen onderuit. De president had laten zien samen te willen werken op het gebied van klimaatverandering, nucleaire proliferatie en economie om een weg uit de crisis van de voorgaande jaren te vinden. Er gingen geen wapens naar Taiwan, Obama ontmoete de Dalai Lama niet tijdens zijn eerste jaren als president. Door het Chinese zelfbewustzijn, maar ook het wantrouwen werd dit niet gewaardeerd. Een belangrijk deel van de Chinese elite vermoedde achter iedere toenadering een streek om China te verzwakken. Dat is niet helemaal onrealistisch; de VS bleven balanceren tussen machtspolitiek en versterkte aanwezigheid in Azië en toenadering aan de andere kant. Maar als zelfbewustzijn en wantrouwen politieke vooruitgang in de weg gaan staan dan wordt het een deel van het probleem. De tendens werd versterkt doordat men in China meende dat de VS verzwakt was en het de eigen kracht overwaardeerde, zodat China de eigen visie rond Taiwan en de Dalai Lama door kon duwen. “Had China voor een strategische assertiviteit gekozen in plaats van een tactische – dat is de mogelijkheid om te bewegen onder de oppervlakte van kwestie naar een diepere strategische dialoog met Washington – dan zouden de twee landen misschien in staat zijn geweest om een positievere richting te vormen voor hun relatie,” schrijven de auteurs.

De Obama administratie kwam in 2010 tot de conclusie dat ze hun hegemonie in Oost-Azië moesten handhaven om de groeiende Chinese macht aan banden te leggen. Kort daarop bedacht China dat het ineffectief had geopereerd door de Amerikaanse toenadering te miskennen. Een top diplomaat leende de zienswijze van Deng dat China zich bescheiden moet gedragen en streven naar vreedzame ontwikkeling. Het sprake de gematigde delen van de Chinese elite aan. Het zou de opmaat zijn naar voorzichtige toenadering. De Verenigde Staten stelde voor dit op drie terreinen te doen: dialoog van militair tot militair, een economische relatie, en op het gebied van cybersecurity.

Fouten

Daarna hebben de VS en China de relaties weer laten verslechteren. Zo heeft China maritieme capaciteiten ontwikkeld om de nationale soevereiniteit te verdedigen, maar ook voor inzet rond Taiwan, in de Oost- en Zuid-Chinese Zee en voor beschermen handelsroutes. China maakte de fout zich in snel tempo land in de Zuid-Chinese Zee toe te eigenen.*** Het gevolg is een serie kleinschalige conflicten op zee waarbij China en de VS tegenover elkaar stonden. Dergelijke schermutselingen kunnen leiden tot misrekening met onvoorspelbare gevolgen. De schrijvers zien het inlijven van de eilanden als korte termijn politiek waarbij de lange termijn uit het oog verloren is of waar de Chinese machthebbers weigeren te begrijpen dat het Chinese optreden in Azië gevolgen heeft voor de verhoudingen met de Verenigde Staten.

China kondigende in november 2013 bovendien al aan dat het een zogenaamde Air Defence Indentification Zone (ADIZ) voor de Oost-Chinese Zee op zou zetten bedoeld voor een verder reikende luchtverdediging. Vicepresident Joe Biden was net onderweg naar China om een nieuw model van samenwerking te bekrachtigen. De Chinese stap haalde het proces van wederzijdse toenadering onderuit. Een deel van dat proces was het rekening houden met de belangen van de ander bij het formuleren van de eigen belangen. President Hu Jintao lijkt die problemen voorzien te hebben en wilde ADIZ niet ondersteunen. Zijn opvolger Xi Xiping had daar geen moeite mee.
Het ging van kwaad tot erger. In Mei 2014 kreeg China onenigheid met Vietnam over olie bij de Paracel eilanden. President Xi hield een speech Azië voor de Aziaten (implicerend zonder VS). Tijdens een conferentie met mensen van de CCP, uit de militaire industrie, krijgsmacht, diplomatie en lokale bestuurders werd gesteld dat China de politieke bescheidenheid (“keeping a low profile”) zouden inruilen voor grotere ambities (“striving for achievement”).

Overhand

De Verenigde Staten zouden in 2015 reageren met een maritieme strategie voor de regio van de Stille Oceaan en Azië. De regering Obama wilde 60 procent van de luchtmacht en marine concentreren in Azië. Het land sloot militaire verdragen met landen als Singapore, Vietnam en India. De verschuiving van de militaire middelen door de Verenigde Staten is voor China een reden om Washington te verdenken van een Monroe doctrine voor Azië, een referentie naar het onder controle brengen van het Amerikaanse continent begin 19e eeuw. Maar veel Aziatische landen zien de Amerikaanse aanwezigheid als tegenwicht voor de groeiende macht van China in de regio. Die bondgenootschappen ziet Beijing dan weer als middel om China in te snoeren en zo gaat het haasje over. Hardliners in China onderstrepen de noodzaak dit te bestrijden. Sindsdien zijn beide landen niet meer aan deze gespannen situatie ontsnapt (Zie bijvoorbeeld de aan de Chinese krijgsmacht gelieerde Global Times die vrijwel dagelijks de VS aanvalt, regelmatig schromelijk overdreven, als dat het bijvoorbeeld nazi's steunt en onlangs ageerde China tegen Amerikaanse plannen de Gele Zee met mijnen te bezaaien.).
De Verenigde Staten ontwikkelen een offensieve strategie om de Chinese defensie te bestrijden met de mogelijkheid tot diep in China aan te vallen. Het gevaar van een nucleaire escalatie wordt daarbij ingecalculeerd. De schrijvers constateren dat veel bondgenoten daarom terugdeinzen voor medewerking aan deze militaire inspanningen. Ze leiden gegarandeerd tot “een intense Amerikaans-Chinese wapenwedloop, zowel conventioneel als nucleair, zowel in cyber als in de ruimte, omdat China uitgelokt wordt om een tegenstrategie te ontwikkelen,” met meer instabiliteit. “Als Amerika zijn fixatie met militaire hegemonie niet kan aanpassen dan is het op weg naar een gespannen relatie met China, waarvan de gemoderniseerde krijgsmacht afbreuk zal doen aan de Amerikaanse,” is de waarschuwing. Ze klinkt logisch maar juist die waarschuwing leidt in Washington tot meer druk om de militaire uitgaven te vergroten om de overhand te houden. Voor de Verenigde Staten is het de normaalste zaak van de wereld om machtsrelaties en militaire balans in hun voordeel te ontwikkelen. Dat dit frictie oplevert met de tegenstander die hierdoor verzwakt wordt, is een notie die niet meegewogen wordt. Ook deze mismatch verklaart de groeiende bilaterale spanningen. Zelfs Obama's laatste ambassadeur in China, Max Baucus, oordeelde dat het beleid een strategische visie ontbeerde.

Licht aan het eind van de tunnel? De schrijvers pleiten voor een beleid dat uitgaat van gezamenlijke belangen worden geïnventariseerd zonder de verschillende belangen te miskennen, maar die wel te managen en respecteren.

Minimale afschrikking

Afschrikking kan gebruikt worden in samenhang met productievere strategieën zoals vertrouwenwekkkendemaatregelen (confidence building measures, CBMs) en diplomatie. De afschrikkingsstrategie blijft risicovol. De schrijvers noemen vier gevaren: 1) het versterkt de dreigingsanalyse en een assertieve reactie; 2) het leidt tot overdreven zorgen; 3) het kan voorheen onbelangrijke fricties belangrijk maken in de onderlinge verhoudingen; en 4) uitgaan van overschatting van de eigen kracht en wensdenken (met selectieve informatie).

Aangezien afschrikking vrijwel onvermijdelijk deel uitmaakt van de strategieën van beide landen, stellen de auteurs een minimale afschrikkingsstrategie voor. Beide landen moeten mispercepties omtrent de inzet van de andere partij opruimen. Tevens zou gezocht moeten worden naar mogelijkheden voor winst aan beide kanten. Minder bezig zijn met voorbereiden van militaire confrontaties en meer met de negatieve politieke consequenties van de afschrikking kan de dreiging verminderen. Voor de Verenigde Staten betekent dit bijvoorbeeld afzien van offensieve capaciteiten die de militaire reactie van China op een aanval onmogelijk maakt. China moet de militaire capaciteiten afbouwen gericht op het inlijven van omstreden maritieme gebieden. “Enige zelfbeheersing in het ontwikkelen van offensieve doctrines en middelen is essentieel,” schrijven Zhang en Ned Lebow. Maar er moet meer gebeuren dan een beperkte afschrikking.

Vertrouwenwekkende maatregelen

CBMs kunnen de weg voor de diplomatie effenen. Afschrikking zonder remedie om de relaties te herstellen heeft een grote kans om tot oplopende spanningen en conflict te leiden; en resulteert daarmee in wat het juist beweert te willen voorkomen. CBMs speelden tijdens de zogenaamde ping-pong diplomatie van Nixon/Kissinger aan de ene kant en Mao/Zhou Enlai aan de andere een belangrijke rol in het temmen van een eerder conflict tussen China en VS. De maatregelen moeten gericht zijn op het wegnemen van redenen voor strijd en conflict. Ze draaien om het versterken van regelingen en samenwerking en omvatten wederkerigheid in beleid, het zetten van onherroepelijke stappen, zelfbeheersing, het stelen van normen voor belangenstrijd, (beperkte) veiligheidsregimes zoals procedures om ongelukken tussen beide kante te voorkomen en het ruilen van belangen om escalatie te voorkomen en toenadering te vergroten. De verschillende methoden worden beschreven in afzonderlijke paragrafen en geduid met historische voorbeelden; van Fasjoda tot Camp David en van Falklands/Malvina's tot Irak en de Sovjet Unie. CBMs kunnen ambitieus of beperkt ingezet worden. Klein als er weinig mogelijkheden zijn. Groot als het kan.

Vertrouwenwekkende maatregelen en diplomatie gedijen niet in een nationale omgeving met opgeklopt zelfvertrouwen ten koste van de ander. Het wordt dus tijd dat beide landen een andere basis zoeken voor hun eigendunk. De Verenigde Staten niet op basis van hegemonie. De VS moeten beseffen dat China een invloedrijke kracht is in Azië, de schrijvers stellen dat dit zo slecht past bij de Amerikaanse denkwijze dat dit onderwijs van de veiligheidselite vereist. China zou de littekens opgelopen de conflicten met het Westen en Japan moeten afschudden. Wangdao en Hēgemonia – het verkrijgen van eer in ruil voor het verschaffen van veiligheid en economische voordelen (zie verder) – zouden een uitgangspunt kunnen vormen.

Taiwan

De geschiedenis van de Chinese en Amerikaanse verhouding tot Taiwan is er een van geven en nemen. China gaat uit van Eén China, de VS erkent deze positie zonder ermee in te stemmen. Deze afstemming is er gekomen om een vergaande en zeer gevaarlijke escalatie te voorkomen.
Washington heeft bedongen dat wapens voor defensie doeleinde geleverd mogen worden. Deze ruimte al enige jaren opgerekt. Beijing spreekt zich hier steeds krachtig tegen uit. Hoewel momenteel onvoorstelbaar: de VS zou de wapenleveranties kunnen stoppen. China zou hier dan evengrote toegevingen tegenover moeten stellen, zoals de garantie van een autonoom politiek systeem op het eiland na eenwording. Na wat er in Hong Kong gebeurde zou dit weinig geloofwaardig kunnen klinken. Toch stellen de auteurs voor: “Washington zou voor kunnen stellen dat het de wapenleveranties beperkt als China verifieerbare limieten instelt op de militaire productie en inzet tegen Taiwan en geloofwaardig verwoord dat het geen macht tegen het eiland zal gebruiken behalve in extreme gevallen dat Taipei zich de jure onafhankelijk verklaard of een aanzienlijke versterking van de veiligheidsrelatie tussen Taiwan en de VS.”
De ruil lijkt in het boek bijna een kwestie tussen twee partijen, de Verenigde Staten en China. Maar er is een derde partij. De schrijvers zeggen wel dat om Taipei milder te stemmen Beijing met een attractiever hereniging moet komen dan tot heden verwoord. Maar ook moet duidelijk zijn dat Taiwan zich niet onafhankelijk verklaart. Ze kiezen daarmee voor een positie die handvatten biedt voor Washington en Beijing (en niet onbelangrijk het conflict beheersbaar houdt), maar die in feite een verwrongen constructie is. Taiwan heeft allang een eigen politiek, economisch en sociaal systeem en is de facto zo goed als onafhankelijk. Dit niet erkennen schuift het probleem vooruit waardoor de catastrofale oorlog op de loer blijft liggen. Beijing zou binnenlands ruimte moeten creëren voor een stap waarin afscheid van Taiwan onder voorwaarden mogelijk is. Maar daarvoor pleiten raakt aan de Chinese binnenlandse politiek (nog los van alle voetangels en klemmen).

Korea

Waar liggen rond Noord-Korea de vertrouwenwekkende mogelijkheden. In ieder geval niet door geen contract te hebben, zoals Bush jr. tijdens zijn beginperiode als president. Ook toen er in september 2005 wel het zogenaamde Joint Statement werd bereikt, bleef het wantrouwen de verhoudingen tussen Pyongyang en Washington kleuren. In 2007 beloofde Bush aan Kim de relaties te herstellen in ruil voor volledige nucleaire ontwapening. Noord-Korea had inmiddels al besloten liever te vertrouwen op de nucleaire capaciteiten om het regime overeind te houden. De invasie van Irak door de Verenigde Staten in 2003 heeft het wantrouwen vergroot. Toen Kim door ziekte van het toneel verdween, kregen de hardliners in Noord-Korea de touwtjes in handen. De VS had kostbare tijd verspild; smeed het ijzer als het heet is, is een niet onbelangrijke boerenwijsheid in de diplomatie. (Ook nu inzake Oekraïne, zie bijvoorbeeld dit artikel.)
Gesprekken over de Koreaanse veiligheidssituatie tussen China, Japan, Zuid-Korea, Rusland, de VS en Noord-Korea eindigden in 2008. Aan het eind van zijn regeringsperiode zag president Obama dat het beleid van zijn voorganger en van hemzelf er weinig goeds had gedaan. Trump werd van deze constatering op de hoogte gesteld en pakte de waarschuwing op. Hij zette een stap naar Noord-Korea door oefeningen af te bouwen. Beide supermachten hebben belang bij een doordachte en gezamenlijke oplossing. De Verenigde Staten had belang bij een stabiel Koreaans schiereiland en afbouw van de nucleaire wapens. Ook voor China is een stabiele buur van belang. Een buur die weliswaar een buffer is tegen de vele Amerikaanse troepen in de zogenaamde Gedemilitariseerde Zone heet, maar denuclearisering zou ook in Chinees voordeel zijn, zo halen de schrijvers Chinese strategen en adviseurs op het gebied van buitenlandse politiek aan.
Momenteel is een complete nucleaire ontwapening voor Noord-Korea onbespreekbaar. Voor de Verenigde Staten is het onbespreekbaar zijn troepen uit Zuid-Korea weg te halen. Twee losse eindjes die dichter bij elkaar kunnen komen? De auteurs doen een voorstel in die richting.

Maritieme conflicten

De Verenigde Staten en China hebben geen territoriale conflicten. Ze verschillen wel van mening over die van China met zijn buren. Binnen China wordt de betrokkenheid van Washington wel eens gezien als een anti-chinese strategie. Dat klopt, maar het is ook bondgenotenpolitiek. Wat blijf is wel dat de conflicten makkelijk uit de hand kunnen lopen en zelfs tot oorlog leiden. De landwinningen door Beijing zorgen niet voor de situatie van vertrouwen die nodig is. Ook hier is toenadering in de vorm van onomkeerbare stappen gewenst. China moet zich richten op het zoeken naar een vreedzame oplossing van de conflicten. De Verenigde Staten moet die diplomatieke stappen positief beantwoorden en daarmee de schijn vermijden dat ze de conflicten gebruikt als onderdeel van een anti-chinese politiek. Het is een methode om te voorkomen dat beperkte conflicten uitgroeien tot een strijd tussen de supermachten.
De Verenigde Staten beschouwd zich als hoeder van de vrijheid van navigatie voor civiele vaar- en vliegtuigen, maar ook voor militaire. Hier lopen de meningen van China en de VS uiteen. Voor China gaat het alleen om civiele middelen. De Amerikaanse wens de orde in de wereld militair te bewaken, stuit hier op de Chinese zoektocht naar soevereiniteit en veiligheid in Azië. Voor de Verenigde Staten betekent het opgeven van militaire rechten in het Westelijke deel van de Stille Oceaan het opgeven van makkelijke toegang tot bases en bondgenoten in Azië en het zou militaire operaties schaden. China kan zich uitspreken dat het de Verenigde Staten dit recht geeft. De VS kan China laten weten dat het met terughoudendheid van dit recht gebruik zal maken. Een gemilitariseerd conflict om de controle over de zee, betekent dat beide partijen niet krijgen wat ze wensen, controle over zee; een dergelijke aanpak is dan ook “dom en roekeloos.” Als beide een stap terug doen, zijn beide daarbij gebaat.
China vreest dat de Verenigde Staten het omcirkelt. Gezien de complexe situatie in Azië is die vrees overdreven. Wel is China van de veiligheidsstructuren met de VS uitgesloten. Er is wel een aantal internationale fora waarin het actief is. De schrijvers merken op dat indiende de regering Obama de Chinese politiek onafhankelijker, doordachter en gebalanceerder had beoordeeld het misschien had kunnen zien zien dat vertrouwenwekkende maatregelen en diplomatie meningsverschillen had kunnen regelen door een gezamenlijke benadering te vinden in plaats van voor dreiging te kiezen die vervolgens verkocht werd als verschuiving van de balans.

Diplomatie

Het is onmogelijk om internationale conflicten te temperen of op te lossen zonder diplomatie. Dit vereist inzet, verbeelding, vaardigheden, intelligentie en structuren, maar er moet ook politieke ruimte voor zijn.. De hoofdvraag die de auteurs stellen is wanneer, hoe en waarom diplomatie conflicten niet laat uitmonden in oorlog of zelfs leidt tot oplossingen? Ned Lebow formuleerde daartoe al eerder drie subjectieve mechanismen: de overtuiging moet aanwezig zijn dat de oorlog of dreigende troepenopbouw niets oplevert; dat binnenlandse problemen niet opgelost kunnen worden in tijden van oorlog; en het idee dat toegevingen aan de ene kant worden gevolgd door gelijkaardige reacties aan de andere kant. Realisten gooien het over een andere boeg. Zij zeggen dat een veranderde machtsbalans reden is voor schikking, hoewel daarvoor geen bewijs bestaat. Geweld kan bovendien de publieke opinie polariseren en de ruimte voor diplomatie verminderen.
De schrijvers stellen dat personen door hun inzet een groot verschil kunnen maken. Dat is zowel voor leiders als voor diplomaten het geval (uitgebreid wordt ingegaan op de resultaten van de Chinese diplomaat Dai Bingguo en zijn Amerikaanse collega Robert Zoellick). Leiders die staan voor hun zaak en optimisme als uitgangspunt gebruiken kunnen zichzelf versterken. Dat betekent geen blind vertrouwen. Dat kan juist het tegendeel van het wenselijke opleveren. Zonder een gedegen risico analyse van buitenlandse en binnenlandse gevaren van diplomatiek initiatieven kunnen ze ook in hun tegendeel keren en de kans op een oplossing juist verkleinen. De initiatieven moeten vervolgens ook niet in het luchtledige blijven hangen of strijdig zijn met andere delen van het beleid. Het is bijvoorbeeld onbegrijpelijk dat president Xi wel achter de toenadering tot de Verenigde Staten stond, maar tegelijkertijd de marine toestemming gaf voor ADIZ en het winnen van territorium in de Zuid-Chinese Zee. Daarmee verdween de mogelijkheid voor meer toenadering “door druk van belangengroepen,” stellen de schrijvers en zo werd de oplossing juist verder weggeschoven.. Xi gaf toestemming omdat hij steun van de krijgsmacht nodig had voor zijn binnenlandse positie. In de Verenigde Staten was het de gemilitariseerde focus op Azië die de balans tussen afschrikking en vertrouwenwekkende maatregelen in 2011 deed kantelen naar de eerste. Alle dialogen kwamen in de schaduw daarvan te staan. “Diplomaten niet officieren zouden de taak moeten hebben om beleidsmaatregelen te verwoorden,” zo schrijven Zhang en Ned Lebow.

Hēgemonia/wangdao

Het conflict draait ook om botsende ego's schrijven Zhang en Ned Lebow. Aan de rol die eer en respect spelen in de Chinese buitenlandse politiek door de geschiedenis heen wijden de schrijvers veel woorden en er rekening mee houden kan een centrale rol spelen bij het temmen van de spanningen. Samengevat draait het erom dat de machtige landen voor vol worden aangezien en op hun beurt de veiligheid, maar ook economische mogelijkheden, van kleinere landen mogelijk maken, een idee dat ze uit de Griekse (hēgemonia, dat is dus wat anders dan hegemoniale overheersing ) en de vergelijkbare Chinese (wangdao) traditie halen. In het Chinese geval heeft dit door de geschiedenis heen een sterke rol gepeeld in het beteugelen van oorlogen en conflicten. Dat dit niet altijd werkt wordt niet ontkent zo zijn grensconflicten met India, Japan, de Filipijnen en Vietnam niet voorkomen en heeft China een aantal maritieme conflicten.

Mensenrechten

Wat vrijwel geheel buiten beschouwing blijft is de rol interne repressieve rol van China. De schrijvers zijn van mening dat als Washington de Chinese binnenlandse orde niet met rust laat het zeer moeilijk zal worden om een veilige en langdurige relatie op te bouwen. Bovendien is Chinese binnenlandse stabiliteit ook goed voor de Verenigde Staten. Hiermee wordt over dit deel van veiligheid heen gestapt. Je zou op zijn minst kunnen zoeken naar een manier om dergelijke zaken aan te kaarten in een kader waarbij het niet een deel is van het ondermijnen van het fundament van het Chinese bestel. Internationale gremia zijn daarvoor geschiktere plekken dan machtspolitieke middelen tussen staten of algemene handelsboycots. Eenrichtingsverkeer hoeft de kritiek niet te zijn. Er zijn ook misstanden in de Westerse politiek. Kishore Mahbubani probeert in Has China Won? ook binnenlandse zaken buiten de deur te houden, maar noemt om dit te onderstrepen ook de hete hangijzers in de Amerikaanse politiek om aan te geven dat ook die zijde zijn grote fouten kent. (Zie hier voor een zoektocht binnen de worsteling tussen vrede en mensenrechten.).

Zoeken

Simpele antwoorden zijn doorgaans gewenst, maar die zijn er meestal niet. Sterker nog het is juist goed een laag aan beschouwingen over de andere kant toe te voegen: probeer het probleem te begrijpen vanuit de optiek van je tegenstander. Diplomatie slaagt niet als zaken vastliggen tussen paaltjes die geslagen zijn op eigen terrein; het zoeken van mogelijkheden moet de boventoon voeren, niet doctrinaire overwegingen. De schrijvers hopen dat hun boek bij zal dragen aan het denken over Chinees-Amerikaanse scenario's en welke de situatie zullen verbeteren of verslechteren. Ze maken een onderscheid tussen conflictbeheersing en het oplossen ervan.
Mij lag het boek zwaar op de maag in tijden dat de diplomatie door de wapens, vernietiging van gebouwen en infrastructuur, mensenlevens (zowel soldaten als burgers), het zwijgen werd opgelegd. Laat dit niet de opmaat zijn naar een nog grotere strijd met nog meer slachtoffers in de wereld, want niet alleen sterven mensen in Oekraïne, maar door energie en voedselschaarste komen wereldwijd al mensen van honger en gebrek om. Dit had voorkomen kunnen worden als men zijn burcht op het plein of huis op de heuvel voor even had verlaten.

Tenslotte

Het boek beschrijft de relaties tussen de VS en China op het vlak van buitenlandse en militaire, maar ook economische relaties. Die zijn na het afronden van het boek zwaar verslechterd. Haviken in de VS, Europa, maar ook in China zijn zeer assertief en stoken het vuurtje op. Dat doet niets af van de centrale boodschap van het boek: streef naar vertrouwenwekkende maatregelen en diplomatie, afschrikking is een gevaarlijke strategie. Maar hoewel veel van de voorstellen ondenkbaar zijn geworden, zijn de uitgangspunten nog urgenter om uit de vastgelopen verhoudingen te komen. De wereld moet samenwerken om de grote problemen van deze tijd nog enigszins te lijf te gaan. Laten we de hoopvolle ontwikkelingen daarom niet uit het oog verliezen; hoe klein ook zoals
het wat verminderen van de spanningen. Het voorkomen van calamiteiten moet toch een sterke drijfveer voor de internationale verhoudingen zijn.

Noten:
* De schrijvers stellen dat de Thucydides val de geschiedenis en de oorzaken van het conflict foutief uitleggen; het was niet zozeer de angst voor de militaire macht van Athene die tot oorlog leidde, maar de hang aan de eigen leiderschap status van Sparta.
** De auteurs halen als voorbeeld de Amerikaanse bereidheid nucleaire raketten te stationeren op Taiwan in 1957 aan en de volgende escalatie, inclusief de beschietingen van de eilanden Jinmen en Mazu.
*** China heeft de afgelopen veertig jaar zeventien maal meer land in bezit genomen dan alle andere betrokken landen samen (Filipijnen, Maleisië, Taiwan en Vietnam) tussen 2013 en 2015.

zondag 31 oktober 2021

Has China won?

“Het is verstandiger te zorgen voor het welzijn van de bevolking dan het uitgeven van miljarden voor oorlog.”

Has China Won? door Kishore Mahbubani is een van de vele boeken over de rol van China binnen de nieuwe wereldverhoudingen en de gespannen met de Verenigde Staten. De schrijver is een Singaporese strategische denker en was tien jaar de VN-ambassadeur voor de stadstaat. Zijn gedachten zijn niet minder interessant, omdat hij uitgebreid lunchte met Kissinger en CEO's van grote bedrijven sprak. In verschillende ideologische bellen kunnen dezelfde gedachten leven. De schrijver is een vurig aanhanger van de geglobaliseerde markteconomie; maar ook een groot deel van de marktventers heeft geen belang bij conflicten.





Mahbubani is een pleitbezorger voor een autoritaire verzorgingsstaat. Het komt er binnen zijn visie op neer dat er een balans moet worden gevonden tussen economische groei (om burgers welvaart te geven en onrust af te kopen), stabiliteit en persoonlijke vrijheid. Die aspecten zijn ook van belang binnen de politiek van de twee grootmachten. Wel krijgen ze binnen die afweging een verschillend gewicht. Zijn pijlen richt hij echter vooral op “het falende politieke en sociaal economische systeem” van de Verenigde Staten.

Vragen

Het boek begint met vragen over een tiental onderwerpen. Zonder de juiste vragen, geen juiste antwoorden, zo stelt de auteur. Hij vraagt zich af welke strategische implicaties het voor Washington zal hebben als de Chinese economie groter wordt dan die van de Verenigde Staten? Wat moet prioriteit hebben binnen de VS, het welzijn van de bevolking of een prominente internationale positie? Vilein zijn de vragen of het in het belang is van China dat de Verenigde Staten de militaire begroting verhogen of verlagen en of de VS een tegenwicht voor China kan vormen als het zijn bondgenoten tegen zich in het harnas jaagt? Hoe behoudt de VS de krachtige positie van de dollar als internationale reserve munt en kan ze deze positie wél gebruiken voor unilaterale sancties? Verliest de Verenigde Staten zijn interne weerbaarheid niet door internationale verdragen aan de laars te lappen en bijvoorbeeld marteling te normaliseren? Zijn de strategische denkers in de VS wel in staat om de essentie van de strijd met China te vatten? Drijft de irrationele angst voor het gele gevaar de Amerikaanse politiek en kan dit wel voldoende aan de orde gesteld worden in de politiek correcte omgeving in Washington DC? Wie bereidt zich beter voor op de behoeften in een toekomstig conflict? Het valt op dat vrijwel alle vragen aan Washington geadresseerd worden. Het boek is blijkbaar gericht op de beleidsmakers in de VS (het land van de schoonfamilie van Muhbubani).

Chinese fout

Toch heeft het eerste hoofdstuk na de introductie de titel Wat is China's grootste fout? De schrijver constateert dat China zich heeft vervreemd van de internationale industrie, door deze te schofferen, onbetrouwbaar te zijn bij afspraken en mogelijkheden te beperken. De Chinezen hebben de Amerikaanse bedrijven uitgeperst en zo kon Donald Trump zonder een temperende invloed uit het bedrijfsleven zijn strijd tegen China beginnen.

Geen plan

Aan het begin van de Koude Oorlog zette Georg Kennan in Foreign Affairs (onder het pseudoniem Mr. X) de containment strategie uiteen. Een dergelijk uitgangspunt is er nu niet. Has China won? Is geschreven tijdens de Regering Trump, waar improvisatie en zakeninstinct de norm was. Hierbij werd zelfs de positie van de dollar als internationale wissel- en reservemunt ondergraven, stelt de schrijver. Dat gebeurt zelfs terwijl die dollar maakt dat Amerikanen op grotere voet kunnen leven, en het is daarom reden voor verbazing. Maar hebben de VS niet de luxe gaandeweg een politiek te ontwikkelen? Het is nog steeds verreweg het machtigste land binnen de (Westerse) wereld. Markten houden over het algemeen van voorspelbaarheid, maar pragmatisch sturen en bijsturen zijn al decennia een wezenlijk aspect van de Amerikaanse buitenlandse politiek. Bovendien de door Trump wild uitgeroepen boykot van Chinese technologie valt steeds meer op vruchtbare bodem. De VS krijgt – ook onder de Regering Biden – steeds meer landen en organisatie mee voor het weren van Chinese technologie met meer of minder strategische waarde. Het opzeggen van verdragen, zoals het het nucleaire akkoord met Iran, strijkt bondgenoten tegen de haren in, maar ook hier volgt de Europese Unie na verloop van tijd en gaat mee in een nieuwe longer and stronger aanpak die de VS nu voorstaat. Uiteindelijk trekt Washington nog steeds aan het langste eind in het binden van machtige bondgenoten. Mahbubani schildert een te zwakke Verenigde Staten.

Niet expansionistisch

Mahbubani lijkt anderzijds soms wel een advocaat voor de Chinese zaak. De auteur stelt niet als eerste dat China geen militaire expansionistische agenda voert. China zet politieke en economische diplomatie in. Zo moet ook het Belt and Road initiatief worden gezien. Dit is gericht op relaties met de buurlanden. Hij schildert het concept daarmee wel heel bescheiden af (het betreft het hele Euraziatische continent en delen van Afrika, zie kaart). Het uitbreiden van Chinese militaire middelen komt in het boek niet tot nauwelijks aan de orde, net zo min als troepenopbouw en grens schermutselingen met India. Het mag zo zijn dat de Chinese militaire uitgaven bescheiden zijn in vergelijking met de VS en zelfs geringer dan die van de Europese Unie, maar onbetekenend zijn ze niet. Door ze uit te wissen, mis je ook mogelijkheden om een politiek van ontspanning en diplomatie te bepleiten.

Wel gaat hij in op de Spratly eilanden in de Zuid-Chinese Zee en op Taiwan. Je kan moeilijk anders. In beide gevallen is het voor hem een aanleiding om de positie van China te verzachten. Rond de Spratly's beloofde China geen militaire infrastructuur te bouwen als de Amerikanen geen marineschepen zouden sturen om China te provoceren. Het was een aanbod waar de Verenigde Staten niet op in ging en in plaats daarvan marine patrouilles opvoerde met het argument dat het de vrijheid van navigatie diende te waarborgen. (Alsof handelsland China daar zelf ook geen belang bij zou hebben, zo stelt de auteur.) China reageerde toen pas met het aanleggen van militaire faciliteiten. Maar China verklaarde de zee wel al eerder tot een eigen binnenzee. De schrijver noemde dat al eerder een atypische emotionele Chinese aanpak, die niet in het belang is van de relaties met de buurlanden. Hiermee typeerde hij de kwestie als afwijking en nam de wind uit de Chinees annexatie zeilen.

Taiwan en binnenlandse conflicten

Taiwan is binnen de Chinese politiek wel degelijk een casus belli. Mahbubani voert een leger aan argumenten uit de 19e en 20e-eeuwse geschiedenis aan waarom Beijing aanspraak kan maken op het eiland. Het feit dat ook in Taiwan het vasteland van China en het eiland zelf als één China worden gezien (niet door elke politieke stroming overigens), laat zien dat de situatie niet simpelweg zo is dat Taiwan tegenover China staat. Daarnaast kalft de één China constructie die na 110 jaar op zijn zachtst gezegd af. Taiwan gaat steeds meer een eigen weg, dat opzij zetten is politiek realisme, waarin de machtigste staten aan de langste touwtjes trekken, maar doet geen recht aan de Taiwanese bevolking. Opmerkelijk bij een schrijver met oog voor geostrategische kwesties ontbreekt het argument dat het eiland tijdens een uit de hand gelopen militair conflict in handen van de VS een gevaarlijke uitvalsbasis voor de Amerikanen zou zijn. Maar dat is wel verklaarbaar. De rationele logica achter een militair conflict tussen de VS en China wordt door hem verworpen. Maar Tibet, Xinjiang en Taiwan zijn Chinees “dat zijn harde politieke gegevens die niet kunnen worden veranderd.” Het mag zo zijn dat de Verenigde Staten regelmatig kolen op het Taiwanese vuurtje gooien, maar ik mis hier de verschillende stemmen vanuit Taiwan (dat die vanuit Beijing geen ruimte krijgen is duidelijk, maar dat hoeft een onafhankelijk schrijver uit een klein Aziatisch land toch niet te weerhouden).

China heeft inderdaad honderdduizenden moslims in heropvoedingskampen gezet, beaamt de schrijver, maar de VS martelde duizenden moslims, gooide bommen en voerde een groeiend aantal gerichte moordaanslagen uit. Allemaal waar, maar vergoelijkt het een het ander? Dat Hong Kong met kracht ingelijfd wordt vergelijkt hij met de Indiase inlijving van Goa door India tegen de Britse wensen in. “De echte strijd gaat er niet om democratie, maar om de strijd tussen de werkende klasse en enkele vastgoed magnaten,” alsof het conflict niet veel ingewikkelder is geworden en groepen van de ene naar de andere kant zijn overgelopen en alsof studenten stromannen van tycoons zijn. Kritiek op de Chinese controle Staat miskent de wens van de Chinese burger naar stabiliteit, rust en orde. Ze kiezen daarom vrijwillig voor minder persoonlijke vrijheden.

Interventionistisch

De VS daarentegen heeft een geschiedenis van militair optreden. In de 190 jaar voor de Koude Oorlog 216 maal. In de kwarteeuw na de Koude Oorlog, zelfs 152 maal. De cijfers zijn door de schrijver ontleend aan een rapport van de onderzoeksafdeling van het Amerikaanse Congres (hier een link naar de laatste update). Ze intervenieert niet alleen militair, ze doet dat ook nog eens als er geen nationale belangen mee gemoeid zijn. De VS produceert zelf fossiele brandstoffen; voldoende om niet afhankelijk te zijn van het Midden-Oosten. Blijkbaar zag de Amerikaanse elite het anders. Voor hen waren de belangen in de regio essentieel genoeg om militairen te sturen sinds het einde van de Koude Oorlog in 1989 er ruimte toe bood. De Amerikaanse Midden-Oosten politiek heeft bovendien al bijna een eeuw een sterk ontwikkelde kant van politieke en militaire beïnvloeding, controle op de olie voorraden in de Arabische wereld, op de opgebouwde financiële rijkdommen. In de 21e eeuw stuitte men wel op de grenzen en ging er zelfs ver overheen in een poging eerder zelf gecreëerde problemen te beteugelen. Of de inzet van die militaire middelen verstandig is, is een andere kwestie dan of er belangen achter zaten (het is de vraag van wie, welke landen, welke (delen van) de elite). Voor Muhbubani komt het echter beter uit te doen of militaire interventies ervan gespeend zijn. Het is noodzakelijke koren op de molen die draait zonder een dreigende militaire strijd tussen de VS en China. De diplomatieke aanpak van China – het kopen van politieke en economische invloed – is immers goedkoper en lucratiever. In de Verenigde Staten zou men dit ook moeten zien. Echter in Washington zijn ambassade posities wisselgeld geworden voor hen die de gekozen president steunden, constateert Mahbubani in navolging van velen. Door de korte periode dat de VS de enige supermacht in de wereld leek te zijn verloor het bovendien de kunst van het maken van compromissen met de rest van de wereld. Het is een grote zwakte van Washington. Tijd dat men wakker wordt. De militaire molen draait in Washington echter nog steeds als een tierelier.

Chinese winst

Het is in China's voordeel als de Verenigde Staten doorgaan met het besteden van grote delen van de begroting aan het in stand houden en uitbreiden van militaire capaciteiten, zo analyseert hij. Het is immers een irrationaal proces waarin de Verenigde Staten gevangen lijkt te zitten. Ondanks de enorme industrie van denktanks is de VS na de Koude Oorlog niet in staat geweest de militaire bestedingen naar beneden te brengen. Gevestigde belangen spelen hier een grote rol waarin juist die denktanks en militaire industrie samenwerken bij het aandikken van de gevaren voor het voetlicht te brengen dan zij die deze overdrijvingen willen ontmaskeren. (William Arkin schreef hier in The Generals have no cloths over.) Het is een analyse die tevens impliceert een minder militaire koers te varen.

Hypocrisie argument

Voor een politiek denker afkomstig uit de elite van het autoritaire Singapore, met grote invloed van de bevolking met Chinese achtergrond, hoeft het niet te verbazen dat Mahbubani stelt dat het politieke systeem van China staat als een huis en is geënt op ruim 2.000 jaar geschiedenis en met een bevolking die vier maal zo groot is al die van de VS: die Chinees heeft behoefte aan orde en rust en de CCP–dynastie levert die. Westerlingen kunnen niet begrijpen dat het China onder Xi goed kan zijn voor de wereldverhoudingen. Bovendien hebben de criticasters van China nogal wat boter op het hoofd. In de 19e eeuw werd China verkracht door de Fransen en Britten (onderbouwt door de schrijver met een krachtig artikel van de kunstpagina's van de New York Times) en in de Verenigde Staten kan men dan wel vrij kiezen, maar veel invloed op de politiek heeft dit niet en grote delen van de bevolking leven in armoede.

Het is een hypocrisie redenering die hij veel gebruikt: er mogen onvolkomenheden zijn, maar die zijn er aan de andere kant ook. Hij doet dat niet om de kritiek twee kanten op te richten, maar om ze te verstommen. Sterker nog hij gaat een stap verder. Het promoten van democratie kan wel eens gebeuren met de wetenschap in het achterhoofd, dat dergelijke bewegingen in staat zijn een land te ontwrichten (
de Arabische lente en kleuren opstanden in Oost-Europa hebben laten zien dat een dergelijk gevolg niet denkbeeldig is, dat is ook hier weer het genoemde argument voor de Chinese repressie zonder er iets dieper op de falende opstanden in te gaan). Voortbouwend op deze Machiavellistische redenering zou je eventueel, de schrijver is hier voorzichtig, kunnen stellen dat deze aanpak niet is gericht op democratie, maar op het verzwakken van de tegenstander.

Lichtend voorbeeld

Er is een heel hoofdstuk gewijd aan de Amerikaanse visie dat de Verengde Staten het lichtende voorbeeld voor de wereld zijn. Het is inderdaad een intrigerend gegeven hoe dit idee leeft en hoe geloofd wordt dat ze Gods eigen land zijn, het lichtende baken op de heuvel. Obama bracht de verheven gedachte weer terug op aarde en was er helder over dat het prijzen van de eigen natie er voor machtige Staten doorgaans bijhoort. Mahbubani geeft het extra aandacht door een 10-pagina lang artikel uit Foreign Policy als enige bijlage in het boek op te nemen, waarin deze waan of de Mythe van de Uitzonderlijke Verenigde Staten wordt weersproken.

Zelf gaat hij uitgebreid in op het verschuiven van de Amerikaanse democratie van
one men one vote systeem naar een structuur belangengroepen van de economische elite die het beleid grotendeels bepalen. Het grootste deel van de Amerikanen is bijvoorbeeld tegen het huidige vuurwapenbezit en voor een progressiever belastingsysteem, maar Congresleden die dit honoreren moeten zich er op voorbereiden dat hun concurrenten de volgende verkiezingen enorm meer fondsen krijgen en die zijn wezenlijk voor zetelwinst binnen het verkiezingsstelsel van de VS. Het land van de onbegrensde mogelijkheden biedt de armste delen van de bevolking bovendien nauwelijks kans om hoger op te komen. In China is de sociale mobiliteit aanzienlijk groter. Een slot argument dat hij gebruikt is dat het Amerikaanse sociale contract is gaan rusten op de pilaar van de individuele vrijheid en die van gelijkheid uit het oog is verloren. Zo verheven is het land bij nadere beschouwing niet.

Bondgenoten

Bij het beantwoorden van de vraag of China zal winnen, is het ook van belang om te weten hoe anderen zich in deze strijd zullen gaan opstellen.
“Beide partijen zullen verleid worden om de stevige geopolitieke spierballen te rollen, te vleien, om te kopen, armpje te drukken, alles om andere landen aan hun kant te krijgen.” De schrijver kijkt daarbij naar Australië, de Europese Unie, Japan, India, ASEAN en Rusland. De schrijver wist nog niet van het nucleaire AUKUS-pact van Australië, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Hij kon nog schrijven over de moeilijke keuze die Australië moest maken. Het land is gelegen in de regio, verbonden met de Verenigde Staten, en de handel met China was in 2018 vier maal zo omvangrijk als die met de VS. Het gevaar op isolatie van de rest van de regio zou niet denkbeeldig zijn bij het varen van een Amerikaanse koers. Kishore Mahbubani hoopte op een Australische rol als onafhankelijke partij. Dat lijkt voorlopig van de baan. De VS hebben hier een voorsprong genomen.

Schrijvers die het hebben over de politiek van de Europese Unie missen vaak dat de EU een verband is van 27 Staten met verschillende belangen en verschillende buitenlandspolitieke oriëntaties. Zo zijn er die volmondig de Atlantische relaties onderschrijven, ook nu het Verenigd Koninkrijk vertrokken is. Anderen proberen een Europese positie vorm te geven. Mahbubani lijkt zich op die tweede groep te richten. China zou een goede partij zijn om samen mee op trekken om Afrika te ontwikkelen, nodig om op het continent levensvatbaar te houden voor de sterk groeiende bevolking, stelt hij. Of er veel handen voor op elkaar gaan in Europa. Dat valt te betwijfelen. De VS zullen proberen dit te voorkomen, zo stelt de auteur. Maar er wordt wel aan getrokken in Brussel, juist de door Covid gekrompen Chinese investeringsruimte biedt daarbij kansen. Dit nog los van de vorm die een dergelijke samenwerking zou krijgen en wie daarvan de vruchten zouden plukken.

Verklaring

De VS gebruiken China als afleidingsmanoeuvre voor een falend sociaal economisch beleid, zo merkt de schrijver op. Dat China een heel andere politieke structuur heeft en men in de Verenigde Staten toch al snel uitgaat van het heilige van de eigen Staat – het blijft terugkomen – maakt dit gemakkelijk verteerbaar voor de Amerikanen. Als ze redelijk zouden zijn dan hoeft er geen fundamentele tegenstelling te zijn. De schrijver haalt om dit te staven een aantal overeenkomsten (niettegenstellingen/noncontradictions) aan: beide hebben het doel de welvaart van de bevolking te verbeteren, zo stelt hij naïef door belangenstrijd te ontkennen.

De gemiddelde burger in de Verenigde Staten heeft zes maal zo veel inkomen als de gemiddelde Chinese burger, maar in de Verenigde Staten heeft twee derde van de bevolking geen $500 om noodzakelijke aankopen te doen. Stel je voor dat de vijf biljoen dollar (nu al bijna zes) dit sinds 9/11 tot aan publicatie werd uitgegeven aan onnodig buitenlands ingrijpen was verdeeld onder de Amerikanen, dat zou $29.000 per persoon zijn geweest. Zou het geld zijn besteed aan gezondheidszorg, onderwijs, schone energie en infrastructuur dan zouden miljoen extra banen zijn gecreëerd. Mahbubani ziet – aan de hand van Brown University – dat de wapenindustrie geen banenmotor is, maar banengroei in de weg zit. Het is verstandiger te zorgen voor het welzijn van de bevolking dan het uitgeven van miljarden voor oorlog, dat maakt een land door grotere samenhang ook sterker. Dit deel van zijn betoog staat als een huis.

Strijd en klimaatverandering

Dat de VS en China verschillende politieke waarden hebben wordt pas een probleem als ze die willen
exporteren. Belangrijk is te beseffen dat er verschillen van mening zijn en verschillende wegen die naar Rome en volwaardige leefomstandigheden leiden. In ieder geval zou het verschil in visie geen reden moeten zijn tegenstellingen te militariseren. Mahbubani heeft een optimistisch boek geschreven. Hij liet daarvoor ook zaken weg die niet in zijn straatje pasten.

Beide Staten hebben meer belang bij het samen de klimaatverandering afremmen dan het elkaar machtspolitieke vliegen afvangen. Nu gedraagt de meest intelligente soort zich als zelfmoordenaar, zijn woorden, en trekt niet samen op tegen deze bedreiging. Het is een van de punten waarop ik de auteur volmondig gelijk moet geven.

Het is bijna als of de confrontatiepolitiek tussen de VS en China een onbedoeld bijeffect is van een ongeïnformeerd politiek handelen. Als het zo was dan zou een pas op de plaats en een andere politiek koers volgen de dreigende clash vermijdbaar maken. Het lijkt er echter op dat kwesties alleen maar verder op de spits worden gedreven. Burgers in China, de Verenigde Staten en de rest van de wereld zijn daarmee niet geholpen, die willen sociale rechtvaardigheid, stabiliteit én vrijheid.

dinsdag 24 december 2019

Drakendoder India?

Dragon On Our Doorstep: Managing China Through Military Power door Pravin Sawhney en Ghazala Wahab beschrijft de rammelende militair strategische positie van India met betrekking tot China. Het boek eindigt met de zin: “We zijn het aan de geschiedenis en geografische ligging van India verplicht een strategische speler op het wereldtoneel te worden.” India is ver van dat doel verwijderd, blijkt uit het boek. Het zou zelfs niet staat zijn een oorlog met Pakistan te winnen. Dat heeft voor een belangrijk deel te maken met het feit dat militaire ontwikkelingen nauwelijks een rol spelen in de landelijke politiek. Er is geen inzicht, maar ook geen organisatie, geen militair industriële basis, en conflicten die het land verzwakken worden niet opgelost.

De schrijvers zijn eigenlijk vooral negatief over de stand van zaken. Het boek is daarmee niet een oproep voor meer geld en middelen, maar voor meer beleid. En een enkele keer voor meer terughoudendheid in militair of repressief beleid. 

Pakistan

De auteurs staan lang stil bij het conflict met Pakistan dat een nauwe bondgenoot is van Beijing (banden die sinds de publicatie van het boek in 2017 alleen maar zijn versterkt). De krijgsmachten van beide worden vergeleken, zowel inbedding in het politieke systeem en aansturing, als kwaliteiten van de luchtmacht, marine, landmacht, veiligheidstroepen, kernwapens als defensie-industriebeleid (dat in India ook al rammelt als een oude bus). Pakistan komt veruit als beste uit de bus, vooral omdat het militair veiligheidsbeleid heeft dat zich richt op macht, terwijl India zich beperkt tot het hebben van een leger en wapens.

Het gewicht van de geschiedenis, de ideologische verschillen en vooroordelen wegen te zwaar om het conflict snel op te lossen. Als een eerste stap pleiten ze voor gelijke wederzijdse ontwapening in de hoogvlakten, daar waar India en Pakistan tegenover elkaar staan. Een dergelijke stap zou in het belang zijn van een oplossing voor Kashmir, de spreekwoordelijke molensteen in het conflict tussen beide landen. Tevens zou dit een halt toe kunnen roepen aan de bewapeningswedloop. Het zou betekenen dat China zijn strategie ten opzichte van India aan zou moeten passen. Het is kortom een noodzaak.

Grenzen

De schrijvers trekken langs de grenzen tussen India en Pakistan (Line of Control, LC) en die tussen China en India (Line of Actual Control, LAC), waarbij het hooggebergte een voorname rol speelt. Grensconflicten rond de LC zijn op te lossen als er een oplossing voor Kashmir zou zijn. De grensconflicten met China zijn dat niet, maar ook dat onderkennen zou al een wenselijke stap zijn. Ze sommen de Indiase zwakheden en de Chinese kracht op (infrastructuur, geografie, wederzijdse afspraken). Het is een tocht die levendig wordt, omdat de schrijvers zelf de buitenposten en militaire bases bezochten. Je wandelt zo nu en dan mee de bergen op naar de besneeuwde passen, waar boven het goed geoutilleerde Chinese leger wacht. Maar het blijft niet bij anekdotische informatie. De landen worden niet gespaard als het gaat om het geven van voorbeelden waar de wedloop op de spits werd gedreven in plaats van afgeremd of gestopt.

De kwestie van de grensconflicten werd eind december nog besproken in een Chinees-Indiase top. Beide zijden verklaarden dat het oplossen van de grensconflicten noodzakelijk is voor het bewaren van vrede en rust. Of daarmee de volgens auteurs, zwakke positie van India is verbeterd, is onduidelijk.

Kernwapens

Opvallend is de visie dat India af zou moeten stappen van zijn drieledige nucleaire politiek: lange afstandsbommenwerpers, nucleaire onderzeeboten en lange afstandsraketten op land. De luchtmacht is te zwak om die taak erbij te hebben en zou ze moeten beëindigen. Die stap zou gebruikt moeten worden om vertrouwenwekkende maatregelen (CBMs) te bespreken met Pakistan. Bovendien zou het afschaffen van de nucleaire luchtmachttaak de kans op een onbedoelde nucleaire escalatie verkleinen, omdat Pakistan niet meer bang hoeft te zijn dat een vliegtuig mogelijk met kernwapens haar luchtruim binnendringt tijdens een conflict. De atoomonderzeeboten moeten vergroot worden en eigenlijk zijn vooral de op land gestationeerde kernwapens waar de schrijvers het meeste fiducie in hebben.

Tibet

Ze lopen ook langs de minder prominente veiligheidsproblemen, zoals de Tibetaanse enclave en regering in ballingschap in India. Het is te verwachten dat de 15e Dalai Lama zal reïncarneren in India. De grote aanwezigheid van het boeddhisme in India, zou Delhi uit moeten spelen om het land status te geven in de Boeddhistische wereldgemeenschap en die van Zuidoost Azië in het bijzonder (waar volgens de auteurs dit geloof dominant is, hoewel je met evenveel recht de Islam er als dominant kan benoemen. Een notie die gezien de huidige aanval op de islam door de Indiase regering niet onbelangrijk is). India doet niets met dit voordeel. Dat zou wel moeten, waarmee religie als politiek middel wordt bepleit. Bijna alsof India met godsdienststrijd nog niet voldoende problemen heeft.

In China heeft president Xi Jinping verklaart dat Tibet sinds de oudheid al deel is van China. Dat dit historisch gezien geen grond heeft, doet er voor Beijing minder toe. In de hoofdstukken rond Tibet worden zowel de Chinese als Indiase positie uiteengezet, waarbij veel aandacht voor de Tibetaanse guerrilla's (de Special Frontier Force, getraind en bewapend door de CIA en haar voorloper, de American Committee for Free Asia) en de buitenlandse invloed op de Dalai Lama.

Verzet

Van het Tibetaanse recht op zelfbeschikking gaat het boek naar de conflicten met de maoïsten in het noordoosten, oosten en meer en meer naar het midden van het land. Ook hier ontbeert het overheidsbeleid inzicht en betrokkenheid. Beleid wordt op afstand gemaakt en al snel wordt niet gekozen voor het verlichten van de zorgen van de bevolking, maar voor repressie door politie en inlichtingendiensten. Dit is verspreid over 15 staten en werkt samen over organisatie en partij politieke en nationale grenzen heen. De harde hand uit Dheli versterkt alleen maar de zaak van het verzet en zo duren de conflicten voort. Bij deze onderdrukking wordt zelfs gebruik gemaakt van inzet van land- en luchtmacht. In 2015-16 werden 116 bataljons paramilitairen (600-1,200 manschappen elk) ingezet om het maoïstische verzet de kop in te drukken. Sensitief beleid en meer bevoegdheden naar lokale bevolking zou veel beter werken, stellen Pravin en Wahab.

De huidige Hindoeïstische regering heeft volgens de schrijvers nog een ander probleem. De BJP staat ideologisch en op een gewelddadige wijze diametraal tegenover de maoïsten. Wetgeving (Right to Fair Compensation and Transparency in LandAcquisition etc. bijvoorbeeld) die de positie van de bevolking in het oosten zou moeten beschermen, wordt afgeschaft.

Het verzet bindt niet alleen manschappen van de Indiase land- en luchtmacht aan binnenlandse veiligheid, het geeft China ook toegang tot India door levering van wapens, het krijgen van inlichtingen en de conflicten tasten de kwetsbare Indiase cohesie aan. Het oplossen ervan is daarom ook gezien vanuit internationaal veiligheidsperspectief belangrijk. Voorlopig lijkt de regering Modi alleen maar olie op het vuur te gooien (lees bijvoorbeeld de visie van Arundhati Roy).

Krijgsmachtonderdelen

De Indiase marine is overvraagd, ze leidt aan ziekte van overstretched commitment, zoals de auteurs het uitdrukken en heeft geen militaire strategie die haalbaar is. De Chinese marine is niet meer weg te denken uit de wateren rond India (zie havens: Gwadar in Pakistan, Hambantota op Sri Lanka, Sonadia in Balgladesh en het Birmese Maday). De Pakistaanse marine opereert in nauwe samenwerking met de Chinese en daarmee is een realiteit ontstaan waar India maar moeilijk mee uit de voeten kan. Daarop zou India moeten reageren.

Het lijkt er echter op dat de marine zich om binnenlands politieke overwegingen meer moet richten op de strijd tegen Pakistaanse infiltranten. Dat is niet verrassend volgens de schrijvers: India is altijd een land geweest dat zijn maritieme taak heeft verwaarloosd. Daar waar sprake was van een positieve beeldvorming van de marine – optreden tegen Pakistan in 1971 – werd dit teniet gedaan op het moment dat Mumbai in 2008 vanuit zee werd aangevallen door aan Pakistan gelieerde terroristen. Niemand had ze zien aankomen. Niemand was voor dat euvel verantwoordelijk. Een tocht langs de betrokken instanties en beleidsvoornemens door de schrijvers, laat ook hier zien dat er ook nadien weinig handen en voeten worden gegeven aan een veiligheidsbeleid in de kustwateren.

Er is evengoed veel kritiek op andere krijgsmacht onderdelen. De luchtmacht zou beter meer piloten op kunnen leiden dan meer staaljagers kopen, en ervoor zorgen dat er voldoende reserve onderdelen zijn zodat de gevechtsvliegtuigen die er zijn beter gebruikt worden. De landmacht doet taken waar ze niet voor bedoeld is (contraguerrilla en politietaken bijvoorbeeld; 30% zit in Jamu & kashmir) en zet zo manschappen en middelen misplaatst in en zorgt voor een verschuiving van de inhoudelijke oriëntatie, waaraan ze toch al een gebrek heeft. Het Indiase leger groeit qua aantallen manschappen (1 miljoen in 1990 en 1,23 miljoen in 2015; een groei met bijna een kwart) en dat in een tijdperk dat geavanceerde technologie eerder dan vele militairen de doorslag zullen geven in een conflict.

Wapenindustrie

De schrijvers vragen in 2013 aan de onderdirecteur van het Russische wapenverkoopbureau Rosobornexport of het klopt dat India verouderde onderzeeboottechnologie uit 1973 was verkocht. Dan antwoord de Rus: “hadden jullie het al?” Na een stilte die een nee verraadde: “in dat geval is dit state of the art voor jullie.” Het is een anekdote die de Indiase industrie zelfs na jarenlang samenwerking met Europese, Israëlische en Amerikaanse partners in zijn hemd zet.

In een recent artikel in The National Interest schrijft Richard A. Bitzinger: “Opmerkelijk is dat het communistische China meer vooruitgang geboekt heeft met het introduceren van vrije markt mechanismes in zijn wapenindustrie.” Het is een sterk ideologisch gekleurde opmerking om de Chinese en Indiase defensie-industrie te vergelijken en wel in het voordeel van de eerste. Voor wie de draak op de deurmat heeft gelezen biedt het Bitzingers artikel geen nieuws.

Als je wilt doen alsof je een binnenlandse wapenindustrie hebt, noem je gewoon alles wat binnenslands wordt gemaakt Indiaas, ook als dat alleen eindassemblage inhoudt. Het maakt dan niet meer uit waar het is ontworpen of wie de rechten op de producten heeft, het klinkt voor de oppervlakkig luisteraar wel goed. India maakt schepen, maar “alle motoren worden geïmporteerd,” klinkt minder succesvol.

De marinebasis in Karwar (waar de organisatie Stop Wapenhandel jaren geleden nog tegen ageerde, omdat de toekomstige nucleaire basis door de Nederlandse Hashkoning met hulp van de Nederlandse staat werd aangelegd) zou uit kunnen groeien tot een belangrijke haven, maar daar moet dan wel in geïnvesteerd worden. In de haven van Pipavav staan grote kranen, maar aan zelfstandig scheepsontwerp is niet gedacht. Ook hier somberheid troef. “Het is is de logica zelf dat een land dat nog niet eens in staat is geweest een 'acceptable' geweer voor zijn militairen te maken, maar moeilijk meer geavanceerde maritieme wapens kan maken, zoals raketten, torpedo's, kanonnen etc. Ad hoc worden vellen ervan (die niet direct worden geïmporteerd) gemaakt in India op basis licenties van Europese of Israëlische bedrijven.” (Ik citeerde dit al eerder in het engelstalige blog: India major customer for EU-weaponry.)

De schrijvers kijken bij de ontwikkeling niet naar de mooie woorden, die bijna dagelijks in de Indiase pers te vinden zijn, maar naar cijfers en welke voordelen India heeft bij de breed uitgemeten samenwerkingsprogramma's met buitenlandse partners en dan valt dat vrijwel altijd tegen. Maar misschien is niet zozeer het opzetten van een wapenindustrie van belang (m.u.v. munitie en andere zaken nodig als een conflict uitbreekt) maar het ontwikkelen van capabele moderne strijdkrachten, schrijven ze bijna hopeloos.

Kashmir

Het belangrijkste voor een geostrategische verbetering van de Indiase positie vis-à-vis China is het oplossen van de kwestie Kashmir. De schrijvers constateren echter dat de politieke leiding zichzelf steeds opnieuw voorspiegelt dat er in Kashmir eigenlijk niet zo veel aan de hand is en dat het onder controle is. Dat draagt het risico in zich dat de rot er insluipt en de zaak permanent verziekt. Het voorkomt ook een remedie. In ieder geval lopen processen steeds vast op een politieke kink in de kabel, bewust of onbewust veroorzaakt, een aanslag, een regeringswisseling e.d. Het wordt tot in detail beschreven. Het is een falend beleid waarvan uiteindelijk de bevolking van Kashmir de dupe is.

In het hoofdstuk rond Kashmir wordt ook aandacht besteed aan het protest en radicalisering. Hoe beoordeel je dit en hoe ga je er mee om. De schrijvers merken op dat India, net als het Westen, de fout maakt om opstandelingen als misleide jongeren te zien of als terroristen, alsof er geen enkele context voor hun handelen zou zijn. Op die manier blijft het op lossen van de grondoorzaken voor de conflicten uit en bestaat het gevaar dat zo'n kwestie alleen maar verergert.
Het is van het grootste belang voor ons om voor de kwestie Kashmir met een permanente oplossing uit te werken, het stoppen met de vervreemding van de moslims in het land, zodat ze niet het terrorisme in getrokken worden en het terugtrekken van de AFSPA-wetten [die bijzondere bevoegdheden aan het leger verlenen]. Infiltratie heeft resultaten, maar beter zou het zijn het vertrouwen op te bouwen met de moslim gemeenschap, zodat ze zullen bijdragen aan een oplossing: Dit zal niet werken als de politie check punten in wijken opzet, lokale mensen mishandelt en ze allen als terroristen behandeld.” Een oplossing van het conflict maakt troepen vrij voor samenwerking en ontwikkeling in de hele regio. Bovendien opent het ruimte voor besprekingen bijvoorbeeld rond de grensgeschillen met China, de 3488 km lange LAC.”
De schrijvers zijn voorlopig ingehaald door de geschiedenis. De Modi regering heeft laten zien dat ze de kwestie niet op wil lossen, maar uit de weg ruimen door juist oude afspraken over het bestuur van Kashmir met voeten te treden. Al in augustus 2016 had Modi gezegd dat India bezet Kashmir terug wil hebben uit Chinese en Pakistaanse handen. De auteurs merken verbaasd op dat China 42.000 vierkante mijl binnen haar grenzen heeft en en China en Pakistan samen 47.645. Het spreekt vanzelf dat China en Pakistan die nieuwe visie uit Delhi niet toejuichen. Hoe dit zich gaat ontwikkelen is moeilijk te voorspellen, maar dat het de veiligheid van India zal vergroten is een gok die lijkt op een extreme bungy jump van grote hoogte aan slap elastiek.

Pravin Sawhney stelde op zijn twitter account dat Modi de veerkracht van de Kashmiris zwaar heeft onderschat “gebogen hoofden betekent niet dat ze hun nederlaag hebben geaccepteerd,” en van normalisering is nog lang geen sprake. Trots, miscommunicatie, ontsporing van op stapel staande initiatieven en onbegrip hebben die oplossing tot nu toe voorkomen. Het moet er toch ooit van komen.

Tenslotte

India moet volgens de schrijvers beseffen dat alleen het roepen dat het een geostrategische speler is geen zin heeft als dit niet ook gestoeld is op economische en militaire macht. Halverwege het boek vatten ze hun programma samen in een paar zinnen:
“India moet zijn eigen militaire macht opbouwen, haar Tibet-politiek herzien, eervol interne opstanden oplossen, bilateraal nauwe banden opbouwen met de VS en tri-nationaal, inclusief Japan, om gezamenlijke dreigingen in Azië, Stille en Indische Oceaan regio, en de Act East Policy versterken door de banden aan te halen met ASEAN en andere aan zee liggende landen.”
Het is zeker geen boek dat geschreven is vanuit de vredesbeweging, alleen al het advies om de kernwapenpolitiek anders in te richten of het gebruiken van religie als machtsmiddel geeft dit aan. Het leeuwendeel van het boek handelt erover dat India nog veel te verbeteren heeft als het gaat om de krijgsmacht en militaire infrastructuur. Het geeft daarmee inzicht in het strategische denken omtrent India, en biedt zelfs enige gedachten rond het oplossen van binnenlandse conflicten en conflicten met Pakistan. De auteurs geven samen het defensie periodiek Force uit, maar dat betekent niet dat ze onderhandelingen, conflictbemiddeling en vertrouwenwekkende maatregelen geen rol laten spelen in hun visie.

Uiteindelijk lijkt geen enkele Aziatische partij belang te hebben bij het ontsporen van de relaties tussen India en China. Het is wel de vraag of India gebaat is bij het maken van beleid vanuit het adagium uit de klassieke oudheid dat wie oorlog wil voorkomen, zich moet voorbereiden op oorlog of door een variant met minder omwegen: dat wie vrede wil zich voor moet bereiden op vrede. Dat hoeft niet op naïeve wijze, maar kan doordacht en in samenwerking met anderen en anders dan het sluiten van nieuwe militaire bondgenootschappen tégen China, waardoor het conflict slechts op de spits wordt gedreven. Dat India zijn interne huishouding niet op orde heeft, hoeft zo'n zoektocht en beleid niet te belemmeren, het kan ook een kans zijn.

dinsdag 1 oktober 2019

Boekbespreking: Unrestricted warfare


Unrestricted warfare is door twee Chinese kolonels geschreven, Qiao Liang en Wang Xiangsui. Het is een van de vreemdste boeken die ik ooit aanschafte. Ik kocht het omdat ik benieuwd was naar het Chinese masterplan om de Verenigde Staten te vernietigen (het werd met de ondertitel China's Master Plan to Destroy America verkocht). Dat het werd vertaald uit Chinese militaire bron was voor mij een aanbeveling. Niet vanwege sensatiezucht of omdat ik dit letterlijk nam, maar ik wilde lezen over de Chinese militaire plannen van binnenuit. Het was relatief recent uitgegeven, nl. november 2015. In een snel veranderende wereld is 'actualiteit' een belangrijk criterium en een kleine vier jaar viel nog net binnen die tijdsspanne.

Propaganda

Als ik het ontvang zie ik nergens de dreigende ondertitel terug. Het heet unrestricted warfare in algemene zin. Wat ik ook al snel zie is dat het voor het eerst is gepubliceerd in 1999. Er is al een eerdere Engelstalige uitgave van geweest door de Pan American Publishing Company op 11 september 2002. Een jaar na de terroristische aanslagen op New York en Washington. Een datum die niet per ongeluk is gekozen. De dreigende woorden van de ondertitel prijken hier wel op de voorpagina, evenals een zich in het WTC borend passagiersvliegtuig. Dat laatste is niet helemaal onbegrijpelijk, hoewel met minachting van de inhoud. Al in 1999 schreven de auteurs dat: “The weapons used by them [terroristen] can be airplanes,” en een paar pagina's verder: “Whether it be the intrusions of hackers, a major explosion at the World Trade Center, or a bombing attack by bin Laden, all of these greatly exceed the frequency band widths understood by the American military.” Maar de inhoud is eerder – hoewel kritisch – VS vriendelijk dan vijandig. Volgens zeggen heeft de Marine Academie van de Verenigde Staten de auteurs gevraagd om het boek te mogen gebruiken. Het is al in 1999 vertaald door de Amerikaanse Foreign Broadcast Information Service. Er is zelfs een wiki over het boek en kopen was niet nodig geweest het is te downloaden van de site van een Amerikaans militair tijdschrift.

Miskoop

Een miskoop dan? Het boek is een reactie op de Golfoorlog van 1990-1991 en welke militaire lessen daarin zijn algemeenheid uit te te trekken zijn. De neiging is dan groot om te schrijven, interessant, maar geen nieuwe gedachten, ik volgde die oorlog en zijn naweeën immers goed. Toch geldt dat niet. Het bevat ideeën die ik nog niet eerder of in deze abstracte vorm tegenkwam. Het wil afrekenen met het idee dat oorlog een militaire zaak is. Oorlog gaat om het bereiken van politieke doelen “de vijand dwingen jouw belangen te dienen.” Het zijn niet bij uitstek – juist steeds minder – militaire middelen die daarbij de doorslag geven. Het slagveld is verlegd. Cyberaanvallen, gebruik van de media en financiële speculatie (de Aziatische financieel economische crisis van 1998 had zich net voorgedaan waarbij speculatief kapitaal een doorslaggevende rol speelde; in het boek steeds beperkt tot George Sorros).

Spelers

De natiestaat is volgens de schrijvers nog steeds de belangrijkste politieke eenheid. Maar de positie ervan is steeds vaker verbonden met multinationale eenheden (VN, IMF, NAVO, Shanghai-samenwerkingsorganisatie e.d.) of verdragen waar ze macht aan ontlenen. Het is geen nieuw inzicht*, maar in een tijdperk dat de machtigste natiestaat ter wereld internationale organisaties en bondgenoten schoffeert en het INF-akkoord, de Iran-deal en Wapenhandel Verdrag (ATT) verre van zich gooit wel interessant. China, the new kid on the block, vult met liefde voor het eigenbelang de openvallende ruimte en omarmt de verdragen en afspraken die de VS juist schendt. Dat is anders dan na de Golfoorlog. Destijds wisten de Verenigde Staten 30 landen te bewegen aan de oorlog deel te nemen en China was neutraal. Maar de spelers op het oorlogstoneel in ruime zin zijn ook niet-statelijke actoren, zoals NGO's, hackers en terroristen. Inderdaad ook allerminst een nieuw inzicht, maar ingebed in een idee over de onbeperkte oorlog doet het denken hoe oorlog de grijze zones van onze samenleving binnen treedt.

Technologie

Binnen het militaire domein zijn de middelen enorm toegenomen door technologische revoluties die op den duur ook een revolutie van militaire zaken in zullen luiden. Want het is niet de technologie maar het resultaat van strategie dat leidend moet zijn, aldus de auteurs. Samengevat in een tussenkop is dit: “Het gevecht vechten dat past bij de wapens” en “De wapens maken die passen bij het gevecht.” De moderne technologie maakt meer mogelijk dan de Verenigde Staten beseffen en zo gebruikt de VS de technologische voorsprong die het heeft maar voor een deel. Militairen zijn bovendien conservatief en bleven tijdens de Golfoorlog zweren bij de tank, terwijl de gevechtshelikopter een veel grotere rol speelde en niet onderdoet in vuurkracht. Toch is de tank ook in Nederland weer terug van weggeweest. In Afghanistan gebruikten de Canadezen de door Nederland afgeschafte Leopard-tanks om ommuurde woningen binnen te vallen en als mobiel reuzenschild voor grondtroepen.

Wapens

We staan pas aan het begin van een een steeds snellere technologische verandering. De toegenomen technologie leidt tot veel meer mogelijkheden voor militaire oorlogsvoering, intensiever in inzet, gelijktijdigheid en over de grenzen van typen technologie heen. Kleinere landen kunnen met een snuggere inzet uit beperkte middelen verschillende typen militaire en niet militaire wapens beter gecoördineerd inzetten en zo aan slagkracht winnen. Cyber is al een nieuw domein in militaire doctrines, naast land, lucht, water en ruimte. De auteurs voorspellen zelfs nog een nieuw domein nano-space.

De schrijvers zijn soms wel optimistisch, vermoedelijk zullen ze huiveren bij dat woord, dat de nieuwe vormen van oorlog met minder bloedvergieten gepaard zullen gaan, maar het aanbrengen van economische schade, het platleggen van energiecentrales of het beïnvloeden van oogsten zal vele levens kosten, alleen niet door kogels of scherven, maar door gebrek aan inkomen en/of levensbehoeften. De nieuwe technologie voor oorlogsvoering vraagt geen kanonnenvoer zoals in Verdun, maar kan minstens evengrote destructieve effecten hebben. Oorlog zal wél onvoorspelbaarder worden dan ze ooit is geweest.

Media

Het idee wapen zal ingrijpend veranderen. “Op een ochtend worden mensen wakker en zullen ontdekken dat een paar vriendelijke en aardige dingen een offensief en dodelijk karakter hebben gekregen.” De wapens komen dichterbij gewone mensen, zoals de media die ingezet worden om moraal te ondermijnen, bijvoorbeeld. Of om de steun voor de oorlog te versterken. De Nederlandse pers koos er bijvoorbeeld om de gruwelen van de snelweg van de dood aan de lezer en kijker te onthouden, zo werden tere zieltjes gespaard, maar ook de schijn van een schone oorlog hoog gehouden en goed bedoeld of niet de militaire hoofdkwartieren zullen er blij mee zijn geweest. Aangezien het publieke (mensenrechten verdedigen) en het eigenlijke doel (economische belangen) van oorlogen van elkaar kunnen verschillen wordt het moeilijker soldaten te motiveren. Dat is geen nieuw probleem, maar moderne media zijn wel gevoeliger voor manipulatie.

Geld

Oorlog voeren en ontwikkeling van wapens kost een flinke hap uit de beperkte financiële middelen. Er is de krijgsmacht dan ook veel aan gelegen, zoveel mogelijk middelen binnen te slepen. Het claimen dat zij de veiligheid verdedigen is daarbij slechts een eerste stap om het publiek van hun onmisbaarheid te overtuigen. De militaire uitgaven in de wereld zijn nog nooit zo hoog geweest als nu. Schijnbaar zijn de militairen er goed in hun plannen te verkopen aan de politici die beslissen over de begroting. De schrijvers stellen dat zorgen voor de financiën voor een goed en aanlokkelijk programma kan dienen als aas voor een nieuwe financiële investering. Ze concluderen bovendien dat politici vaak in het geheel geen verstand hebben van militaire zaken en geen alternatieve plannen tegenover die van de generaals kunnen zetten, en om geen domkop te lijken meegaan met de plannen van de militairen. Het idee, zoals dat leeft in de VS, dat militaire technologie de doorslag zal geven bij een conflict, leidt er bovendien toe dat er altijd meer, nieuwere, krachtiger, gecompliceerdere en duurdere wapens worden aankocht. De begroting voor nieuwe technologie is belangrijker in de VS dan “moreel, moed, wijsheid en strategie” constateren de Chinese kolonels. Het is moeilijker om zich technologie toe te eigenen (en anderen dus te onthouden) dan ze te ontwikkelen, waardoor je als vanzelf in een kostbare wedloop raakt om schijnbaar haantje de voorste te blijven. Het is een systeem dat in ieder geval goed is voor de wapenindustrie.

Beperkingen

Restricties zijn er ook als het gaat om inzet zelfs in een boek met zo'n ruime titel. Er zijn internationale verdragen om de wapenwedloop en proliferatie te beperken. Sinds het schrijven van het boek zijn er nogal wat verdwenen. Het verdrag tegen anti-ballistische raketten (ABM) is al door Bush jr. in 2002 ten grave gedragen. President Trump heeft daar nog het een en ander aan toegevoegd. De auteurs constateerden in 1999 nog dat de niet militaire middelen voor oorlog nog niet van die beperkingen kenden. Dat kan gezien worden als een negatieve en positieve constatering in één. Immers als de neuzen in de wereld enigszins dezelfde richting op staan dan zijn beperkingen in te stellen, zelfs ten tijde van hoog oplopende spanningen, zoals in de Koude Oorlog. En hoewel nogal wat verdragen van het internationale veiligheidsmenu zijn afgevoerd, blijven nieuwe onderwerpen voor beperkingen en daarmee versterking van de internationale veiligheid zich aandienen. Maar naast de twee stappen voorwaarts staat helaas ook een een stap terug.

Combinatie

Militair denken heeft een ideologische, theoretische, praktische, filosofische, wetenschappelijke en kunstzinnige kant, schrijven de auteurs. Voor mij zijn het meestal de invloed op veiligheid, ontwikkeling en en mensenrechten die op de voorgrond staan. Dat het boek niet over Chinese militaire ontwikkelingen gaat is onverwacht, maar het is niet slecht kennis te nemen van militair filosofisch denken: het vergroot inzicht in moderne de ontwikkeling van de moderne oorlogsvoering op hoofdlijnen. Een paar woorden over asymetrische oorlogsvoering bijvoorbeeld vergroten mijn inzicht en dat het een medicijn is tegen luiheid van denken, omdat het recht tegen de conventionele denkwijze ingaat is weer eens een andere uitleg van het woord dan waar ik aan gewend ben.
Verschillende middelen in combinatie en tegelijk inzetten en denken over grenzen heen, terwijl je de grenzen wel in het oog houdt (minder doen met meer meer middelen) is de boodschap van het boek. Zonder de vreemde geschiedenis van het boek in de Verenigde Staten had ik het vermoedelijk nooit gelezen.

Martin Broek

* Hoofdstuk 6 van Chris Ogden, 'China and India; Asia's Emergent Great Powers' (Polity: Cambridge/Malden, 2017) is er geheel aan gewijd.