Posts tonen met het label militair onderzoek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label militair onderzoek. Alle posts tonen

zondag 8 november 2015

De mens en mot als wapen

Afgelopen zomer was Damiaan Denys een van de zomergasten. Denys is hoogleraar psychiatrie aan de Universiteit van Amsterdam en verbonden aan het AMC-zieknhuis. Hij richt zich op angst en dwangstoornissen en past bijvoorbeeld diepe hersenstimulatie toe bij psychiatrische stoornissen. Denys vertelde dat hij door DARPA was gevraagd om medewerking, maar het niet had gedaan.
Voor wie de Defense Advanced Research Project Agency (DARPA) enigszins kent is het geen verrassing dat ze hem vroegen. Angst bestrijden past bij maken van efficiëntere soldaten. Ook de wijze waarop de in Amsterdam werkzame pyshiater werkt sluit aan. DARPA doet onderzoek naar technologie die de militair vrijwaart van slaperigheid (zodat hij 24/7 kan vechten) of die hem met een chip aanstuurt om afleidende gedachten en angst te onderdrukken. De toekomst van de soldaat als zelfs neurologisch aangestuurde vechtmachine is dichterbij dan we willen weten.

De Jong keek glazig: DARPA? Hij had er nog nooit van gehoord; en is vast de enige niet. Toch is het een onderzoeksinstelling met een enorm budget en breed onderzoeksveld naar alles wat de oorlog kan gebruiken. De totale omvang van het budget voor 2015 was US$ 2,91 miljard (exclusief geheime programma's). Dat is vergelijkbaar met de totale jaarbegrotingen van Princeton en Harvard samen. Die Universiteiten zijn wel breed bekend.

Een groot deel van die leemte in kennis is te verhelpen. Een lijvig boek, The Pentagon's Brain, van de Amerikaanse journaliste Annie Jacobsen (die haar sporen verdiende bij het Los Angelos Times Magazine ) brengt de ontwikkeling van het instituut in kaart van de oprichting in 1958 (als ARPA) tot 2015 als het wordt aangestuurd door centrale personen in de Amerikaanse defensie-industrie, het Pentagon en de wetenschap.

Het is een Amerikaans boek. Met een Amerikaanse vertelwijze. Niet alleen wordt communisme consequent tegenover democratie gesteld, maar ook door verhalen te schilderen waarin de mens en waar hij vandaan komt kleur brengt op de wangen van de bedenker van Agent Orange en de waterstofbom; de american dream in de wereld van militair onderzoek. Het leest mede daardoor als een trein. Je zou bijna vergeten dat je het niet alleen voor je plezier leest, maar ook om er wat uit op te steken over de ontwikkeling van wapens en militaire kennis en technologie: wat was, wat is en wat komt. Vooral die laatste vraag houdt DARPA bezig; verrassen, niet verrast worden is de doelstelling. Vandaar ook de belangstelling voor zich ontwikkelende velden als neurowetenschap.

Het ruim 500 pagina's dikke boek begint vlak na de Tweede Wereldoorlog met atoomproeven, het raketschild volgt (met het idee een magnetisch veld in de ruimte te creëren met behulp van kernexplosies, zowel de Sovjet Unie als VS doen hiernaar proeven). Veel van de verbonden wetenschappers zijn – door start van de organisatie – dol op de bom, maar het idee vanuit het Pentagon om de Hồ Chí Minh route te vernietigen met het gebruik van kernwapens ging de groep wetenschappers die zich verzamelde onder de mythische naam Jason te ver. Er zouden per jaar 3.000 tactische kernwapens nodig zijn om de aanvoerlijn van Noord naar Zuid-Vietnam permanent kapot te bombarderen. Veel DARPA projecten, zoals de drone, M-16 geweer, begonnen wel tijdens de Vietnamoorlog.

Toch werd ARPA uit het Pentagon gezet. Na de oorlog in Zuidoost-Azië is de het een van de vele instituties die zijn geloofwaardigheid is verloren. Het mag zich alleen nog op militaire projecten richten. Vandaar ook dat het in 1973 een D voor zijn naam zette. “Als de Instelling moest gaan overleven en schitteren, dan zou het zichzelf opnieuw moeten uitvinden,” (p. 238) schrijft Jacobsen. Dat lukte en daaraan hebben we te danken dat een mot tijdens zijn metamorfose ingeplante bedrading, een zender en ontvanger opneemt in het weefsel van hersenen en lichaam. Dat is geen toekomst, maar gebeurt al en is een voorbeeld van een zogenaamde biohybride, gedeeltelijk dier en gedeeltelijk machine. De motten moeten worden uitgerust met sensors of explosieven.

Het overgrote deel van de onderzoeken is confidentieel: “als DARPA bezig is met het klonen van mensen, dan zullen we dat later pas weten” (p. 436). Zoals Columbus zocht naar nieuw land, zo zoekt DARPA methodes om wetenschap in te zetten om toekomstige oorlogen te vechten, inclusief killer robots en in extremis met soldaten die met “afstandsbesturing of -controle” opereren. Ze zet ook wetenschap in om methoden te vinden het publiek daarmee vertrouwd te maken.

“De kracht van DARPA is dat het vragen financiert,” (p. 433) zegt David Gardiner die onderzoek doet naar methoden om verdwenen ledematen opnieuw aan te laten groeien. Hoe gemakkelijk die subsidie potjes opengaan, bleek toen in 1973 Bob Taylor binnenkwam die onderzoek wilde doen naar de mogelijke samenwerking tussen computers van verschillende universiteiten. Na 20 minuten stond hij weer buiten met een miljoen dollar om zijn onhaalbaar geachte idee uit te werken. Dat informatie de weg van de minste weerstand zoekt op het internet is van dat geslaagde onderzoek het resultaat.


Wilfried lees dat boek. Volgens mij zal het je boeien. Het is geschreven met dezelfde oprechte belangstelling voor de betrokkenen als waarmee jij sporters, jazzmusici en fotografen tot leven brengt. Het opent bovendien het zicht op wat science fiction leek, maar science wetenschap is geworden. Hoe angst te overwinnen is vanzelfsprekend van belang in militair onderzoek. Denys zou ingeschakeld zijn voor dit onderzoek, als hij dit financiële aanbod met grote kans op vervolg niet op ethische gronden had geweigerd. Je gast liet je dat weten tijdens die Zomergastenuitzending eind augustus. Hij verdiende applaus. Maar belangrijker is dat het niet alleen aan Denys is om wat te vinden van het gebruik en de aansturing van de wetenschap door militairen en defensie-industrie voor de meest vergaande ideeën. Het is aan alle 21ste eeuwse burgers. Het boek The Pentagon's Brain zet je daarover aan het denken.

 Geschreven voor Konfrontatie.

woensdag 10 juni 2015

Universities a pool of knowledge and personnel for defence production

The Dutch military turns to children as young as 15 years of age to attract new personnel to its ranks. The military industry is also interested in youngsters, to recruit new skilled labour for its research, development and production facilities. They are actively linking up with technical universities to find students to fulfill staff positions. The Dutch defence industry is not producing simple bullets and handguns but specializes in state of the art military technology. Such as naval vessels, fitted with guns from abroad but with Dutch fire control, sensors and combat data management systems.

Modern aircraft such as the F-35 (Joint Strike Fighter) are also equipped with Dutch technology. The Netherlands also develops nanotechnology, biometrics, information technology etc. as used in new weapon systems. Almost every Dutch university has a program which is connected to the military or to the defence industry. This text will focus on Thales Nederland and the technical universities.

Technical universities

Thales Nederland is one of the major Dutch military manufacturers and producing state-of-the-art hightec equipment of world class. It has its main establishment in Hengelo and is located close to the technology University Twente (UT). This institute was established in the early sixties as part of the Dutch industrial policy after the Second World War, and meant to educate a highly skilled labour force. In a recent publication Herman Hazewinkel, chair of the University Fund, writes that the establishing parties of the University Fund, like producers of military technology Thales (previously Hollandse Signaal Apparaten) and TenCate, had a forward looking attitude for that time. Not only did they they establish an educational institution, they also created an innovative base. That the U.S. elite forces – in the sense of most skilled military, not of behaviour – is using Dutch armour developed by TenCate, is a direct result of this.

In the same publication of the University Fund CEO Gerben Edelijn of Thales Nederland – a graduate of the TU on electrical engineering – writes on the most tangible project of his company with the TU. It is the T-Xchange, a joint venture focussing on capitalizing serious gaming as a body of knowledge. Apart from this, there are at least ten other programs of cooperation. Moreover, employees of Thales are actively involved in education and research at the TU. Thales needs the TU 'to fulfill its annual 100 apprenticeships and graduate positions,' in Hengelo, in the words of Edelijn. The company is actively looking for students and knowledge, of which many examples can be found on the TU Twente website.

The TU of Delft is well-known for its aircraft development. This old TU, already established in the 19th century, is a permanent supplier of students to Fort Worth, who work at the F-35 project. Thales is also present in Delft with a department for Research & Development on radar technology and radar systems (its military core business), with approximately 25 employees and working in close cooperation with the University. The company also has a Securtiy-Innovation lab (SI-lab) in Delft as part of the T-Xchange program. Until 2010 Thales Nederland, the TU Delft, the University of Amsterdam (UVA) and the Netherlands Organization for Applied Scientific Research (TNO) did run a common program on decision making processes as a key element of modern warfare. It was funded by the Dutch government (SenterNovem, grant number BSIK03024) and useable for civil applications – such as traffic lights – but also for military decision-making. The program brought together a range of institutes, government and defence industries.

The TU Eindhoven (TUE) is established in the late fifties as the second technical university (high school at the time) in the Netherlands. It is located near the former Philips factory and the - nowadays disappeared – car maker DAF. It was part of a plan tho create a technological centre in the southern part of the Netherlands. The plan has been successful: Around Eindhoven a so-called Brainport has been developed since. It includes big names such as ASML, and Fokker Landing Gear in Helmond which makes the tailhook for the F-35.
Thales has a small department in Eindhoven too, Thales Cryogenics (+/- 90 employees). This establishment is focussing on the development of cryogenic cooltechnics, used e.g. in image intensifiers for soldiers, but also useable in satellite technology. Recently Thales signed a Memorandum of Understanding with Safran to cooperate on the issue of future defence systems. The TUE provides knowledge input on armoured glass to reduce weight of vessels and vehicles and to improve protection against electromagnetic radiation, together with several companies (Dutch and French), TNO and the Ministry of Defence.

Opposition

Earlier this year the Japanese paper Yomiuri Shimbun reported a deep-rooted resistance among Japanese universities aiding military research. This resistance is a response to the policy of the Ministry of Defense, against a backdrop of growing sophistication in the use of technology in defence equipment and concerns that Japan will fall behind the rest of the world if it does not conduct research on cutting-edge technologies. The protest even reached the Wall Street Journal.

In the past, all TU's in the Netherlands also had groups discussing the ethics of military production. Hardly any of these groups is still active. Connected to the Delft University, there is a number of organizations which are actively discussing ethics, sustainable development, the positive use of technology, and crisis response. But the issue of developing weapon has disappeared from the debate agenda. The Peace Centre of the TUE was a major institute to discuss military engineering, the military and conflict. But the last symposium of the PC was in 2014, its last publication, officially published three time a year, appeared in 2013. There is still the Peace Research Foundation. Although covering a broad area of peace research, views on arms trade and military production are limited to new juridical regulation like the Arms Trade Treaty. They also do not deal with the Military Industrial Complex (MIC) of which universities are a part. Polemologist Leon Wecke noticed in 2009 that the MIC is seldom mentioned in scientific circles. It is high time that arms production, R&D, acquisitions, and arms trade control are brought back into the heart of peace research.

B log written for Stop Wapenhandel

donderdag 13 januari 2011

Ike; 10% er af?

Vandaag is het donderdag en morgen vrijdag. Dan moet ik niet alleen deze column inleveren, maar ook een praatje houden voor de Technische Universiteit Eindhoven. Die Universiteit heeft een Vredescentrum, van naam en faam. Daar wordt gereflecteerd op de rol van de technicus in de samenleving. Ik sprak er al een paar keer eerder.

Dit keer ben ik gevraagd om over het Militair Industrieel Complex, Millennium Doelstellingen en wapenhandel te praten. Lekker breed onderwerp waarmee je alle kanten op kan. Ook actueel met de veranderingen die Obama en consorten door willen voeren in de aanbestedingen van de Amerikaanse krijgsmacht. Barack is dol op het citeren van overleden voorgangers en heeft zeker ook de tekst van Ike’s afscheidsspeech bestudeerd en de waarschuwing die deze bevat: “against the acquisition of unwarranted influence, whether sought or unsought, by the military-industrial complex” en de mogelijikheid dat het “endanger our liberties or democratic processes”. Daar wil ik morgen ook mee beginnen. (Voor wie hem nog niet kent YouTube biedt uitkomst.)



Nog meer dan Eisenhower kon voorzien is de positie van de militaire industrie inmiddels geworteld in de democratie. Dan doel ik niet alleen op de achtergrond van de staatssecretaris van Defensie, Lynn, die tot voor kort hoofd overheidslobby was van een van de grootste wapenfabrikanten ter wereld, Raytheon. Dan doel ik vooral op de technologische wapenwedloop die de Verenigde Staten voert tegen zichzelf: wat kan, moet; wat moet, kan beter; en tegen alsmaar hogere kosten. Niet voor niets gaat 54% van de overheidsbudgetten voor onderzoek in de VS naar militair onderzoek. Dat is waanzinnig.

Het wordt steeds alledaagser om te smijten met grote cijfers. Laat ik ook mijn duit in het zakje doen. Op dit moment wordt jaarlijks wereldwijd voor meer dan 1.300.000.000.000 dollar aan legers besteed. De Verenigde Staten nemen daarvan de helft voor hun rekening. Dat is geld bestemd voor het handhaven en versterken van vrede en veiligheid. Balken en strepen zorgen dat zij vooraan staan bij vraagstukken hierover en dus ook bij de verdeling van het geld.

Veiligheid is echter ook een dak boven je hoofd, een inkomen, voedsel op je bord, droge voeten, niet sterven aan een zwangerschap, een netje boven je bed etc. Voor grote groepen en steeds grotere groepen zijn dit allerminst zekerheden. Het leven is voor hen vol gevaar en allerminst veilig en zeker. Eisenhouwer sprak in 1961 nog uitdrukkelijk over militaire veiligheid, die toevoeging hoor je nog zelden. Dat militairen en vooral zij voor veiligheid zorgen lijkt net zo natuurlijk als het dragen van schoenen om je voeten droog en warm te houden.

Het klimaatprobleem zal de wereld in 2020 alleen al 175 miljard euro kosten berekende de Europese Unie, de Millennium Ontwikkelingsdoelen 40 – 60 miljard dollar extra per jaar. Dat berekende de wereldbank in 2004. De economische crisis vraagt om tientallen miljarden extra voor de zwaarst getroffenen meldde het IMF vorige week.

Er is dat potje van 1.300 miljard dollar. De helft daarvan wordt uitgegeven op kosten van de rest van de wereld. Zij lenen de VS immers het geld zodat het Pentagon op te grote voet kan blijven leven.

Mij lijkt er niets mis mee als er een campagne komt die stelt dat hier tien procent van af moet. Het lijkt mij een rechtvaardige eis. Zeker op een keerpunt van de geschiedenis, waarop de wereld de Koude Oorlog ontgroeit is en de Verenigde Staten niet langer het terrorisme als grootste bedreiging zien, maar de economische crisis die zoveel mensen in diepe ellende stort. Laat hen, maar ook de rest van de wereld dan de tering naar de nering zetten. Misschien kan dit onderwerp aan de orde komen op de viering van 60 jaar NAVO in april dit jaar.

Dat wilde ik vrijdag zeggen en na enige twijfeling deed ik dat ook. Want ik wil mijn mond zo graag opendoen om te zeggen dat in tijden van crisis wel iets van dat militaite budget af mag om de zwakste hier en daar veiligheid te geven.

Martin Broek

(12 maart 2009)

Deze column is gebaseerd op de serie over wapens en ontwikkeling en geschreven voor konfrontatie

Toevoeging:
Het einde van de column heb ik veranderd. Het was niet mijn bedoeling om in eerste plaats over mijn eigen gezondheid te schrijven, wel om mijn beperkingen aan te geven, terwijl het zo nodig en wenselijk is dat mensen hun mond opendoen.

Toevoeging 2: Even heb ik getwijfeld of ik een tweede blog zou wijden aan de bijeenkomst in Eindhoven over het Militair Industrieel Complex. Ik heb besloten het niet te doen. Wel wil ik er hier kort op terug komen. Aan het einde van zijn verbijsterend mooie inleiding maakte de polemoloog Wecke de volgende opmerking:

"Voorzitter nog een opmerking. In een artikel van Ko Colijn en Freke Vuist wordt de opmerking gemaakt dat de staatssecretaris van Defensie in 1973 klikte naar de Amerikanen. Hij gaf gegevens door uit de Ministerraad ten faveure van een nieuw Amerikaans gevechtsvliegtuig. Die staatssecretaris van Defensie was destijds Bram Stemerdink.”

Wat een toeval Bram was precies de voorzitter van de dag en had in zijn inleidende praatje - zowel op papier als woordelijk - beweerd dat de Franse Mirage was afgevallen in de race voor een nieuw vliegtuig, omdat de maker daarvan de Belgische premier Vanden Boeynants (VDB) had omgekocht en men de aanschaf van de Mirage daarom te risicovol vond. Geconfronteerd met zo’n elegante, maar wel krachtige, aanval op zijn handelen stond de politicus in Stemerdink gelijk op. Hij kwam met een mooie anekdote:

“Op een dag stapt mijn secretaresse binnen en zegt Mijnheer de Minister [Stemerdink was inmiddels minister van Defensie in de periode 1976-77]: ‘er is een mijnheer van de inlichtingendienst die uw archief wil zien van toen u staatssecretaris was, zonder dat u daarvan mag weten. Kunt u die niet even zelf spreken.’ Ik liet hem binnenroepen en heb nog nooit iemand zo bescheten gezien.
Wat wilt U?
Wilt U mijn archief zien?
Dat kan, ik heb de sleutel.
Wat wilt U zien?
Hij wilde het rapport zien over de aanschaf van de F-16. Ik pakte het gelijk uit de kast. 'Ja die is het', zei de inlichtingen man. Ik liet destijds de rapporten die ik kreeg altijd doorslaan met blauw vloeipapier om mijn aantekeningen op te maken en Vredeling (de minister van Defensie in 1973) maakte rommelig zijn aantekeningen in de kantlijn. Hij had mijn schone rapport geleend en laten kopiëren en dat was teruggevonden in het Oostblok [ik meen dat hij zei door een dubbelspion, MB].”

Ik weet niet of dit verhaal ook in de memoires van Stemerdink staat, maar hier diende de anekdote duidelijk om de vraag van Wecke te ontwijken en te doen vergeten. Die vraag prikte nl. door de stelling van Stemerdink heen dat uiteindelijk na een onafhankelijke beoordeling de keuze op de Amerikaanse F-16 was gevallen. Dat het de Mirage niet werd, kwam alleen door VDB.

En passant wordt nog even duidelijk gemaakt dat niet zijn afdeling, maar die van Vredeling verantwoordelijk was, voor het lekken naar de Russen. Over zijn lekken aan de Amerikanen geen woord meer. En dat die F-16 ook niet helemaal reukvrij werd aangeschaft daaraan werd nog geen voetnoot gewijd.

Toevoeging 3: Mijn bijdrage aan de reader staat op internet

Wapens en ontwikkeling (3): Militaire onderzoeksgelden

Uit de wapenindustrie komen voortdurend geluiden dat de ontwikkelingsbudgetten voor nieuwe wapentechnologie te laag zijn. Zowel in Washington als Brussel klopt de militaire industrie steeds aan met het verzoek deze budgetten te verhogen.


In de Verenigde Staten gaat al meer dan de helft van alle gelden die de overheid beschikbaar heeft voor onderzoek en ontwikkeling (R&D) naar het Ministerie van Defensie. Meer dan alle posten, zoals gezondheidszorg, ruimtevaart, landbouw etc samen. Voor 2009 is het onderzoeks- en ontwikkelingsbudget voor het Amerikaanse leger 79,6 miljard dollar.

Dat is 4,1% meer dan in 2008 en 54% van het budget dat de overheid besteed aan onderzoek.1 Ook van de niet militaire onderzoeks- en ontwikkelingsbudgetten (R&D) gaat een deel naar militaire doelen. Andere onderzoeksinstellingen schikken zich steeds meer naar militaire wensen. Daar zit immers het geld.

Om de onderzoeksbudgetten te verdedigen naar het publiek wordt gesteld dat ze zich terug zullen betalen in de vorm van productieverbeteringen. Deze zullen weer leiden tot het verlagen van de productiekosten en betere producten: “De consument zal uiteindelijk gebaat zijn met minder dure en beter bruikbare producten en diensten van een hogere kwaliteit”, wordt in de analyse bij de begroting gesteld. Maar aangezien het hier voor het overgrote deel om militaire onderzoeken gaat is dat sterk de vraag.

Het blijkt dat de Amerikaanse defensie-industrie het geld nauwelijks besteed aan fundamenteel- en toegepast onderzoek, maar dat het voor ruim 80% direct naar de ontwikkeling (testen en verbeteren) van nieuwe producten gaat. In de civiele sector is dit nog geen 10%. Die draagt kortom veel meer bij aan nieuwe ontwikkelingen en inzichten, maar kampt met een gebrek aan investeringen door de overheid.

In een uitgebreid onderzoek naar de waarde van deze investeringen in de wapenindustrie komt de directeur van de Nationale Technologie en Innovatie Onderzoeksraad tot een negatieve beoordeling met betrekking tot de nadruk die in de VS ligt op militaire R&D: "De commerciële voordelen zijn klein, gezien het niveau van de investeringen," zo luidt een van de krachtige conclusies.

Elders in de begroting vind ik nog 400 miljoen dollar voor protheses. Dat onderzoek wordt bekostigd door het Ministerie voor Veteranen Zaken. Onderzoek dat vast mooie toepassingen kent in de civiele samenleving, misschien zelfs over de grens. (Dan kunnen ze er in landen als Liberia en Afghanistan ook nog iets aan hebben.) Maar het is ook onderzoek ingegeven door het droeve lot van uit de oorlog terugkerende Amerikaanse militairen.



Europa

De Europese defensie-industrie klaagt al tijden steen en been over het achterblijven van de gelden voor wapenonderzoek bij die van de Verenigde Staten. Een werkgroep die de Europese Grondwet opstelde, beweerde: "Meer investeringen in militair onderzoek zijn van essentieel belang, zowel met het oog op kwalitatief hoogstaande uitrusting als in het belang van de civiele industrie, die ook de vruchten plukt van militair onderzoek. De noodzaak blijkt bijvoorbeeld uit het aanzienlijke verschil tussen de omvang van de investeringen in de Europese Unie (ongeveer 10 miljard euro) en die van de investeringen van de Verenigde Staten (53 miljard euro)."2

De cijfers zijn veranderd. De klachten zijn gebleven. In 2007 besloten de EU Ministers van Defensie (zonder Denemarken) de uitgaven voor Onderzoek en Technologie te verhogen naar 2% van de militaire uitgaven (het was 1.2%).

Ook in Europa kunnen vraagtekens gezet worden bij de nadruk op militair onderzoek als het gaat om de verdeling van gelden. Een derde van de Europese R&D-gelden gaat naar militair onderzoek. Ruim de helft daarvan wordt door overheden gefinancierd en de rest door de industrie zelf. Dit terwijl van de civiele R&D nog geen 20% door de EU-regeringen wordt verstrekt en 80% door de industrie. Ook in de EU blijkt de wapenindustrie dus voorgetrokken te worden.

Schrikbeeld
Er wordt continue een soort schrikbeeld neergezet dat Europa achterblijft bij de Verenigde Staten. Ook in 2008 stelt François Gayet secretaries general van de AeroSpace and Defence Industries Association of Europe weer: “De kloof tussen de EU en VS heeft zich de laatste jaren verbreed. De concurrentie positie van onze industrie staat op het spel. Er is geen geloofwaardige Europese defensiepolitiek mogelijk zonder een sterke defensie-industriële basis.” (zie ook dit statistiche voorbeeld dat tot een zelfde conclusie leidt). Het is een verhaal dat ik sinds 1998 - toen ik begon dit te bestuderen - steeds weer tegen kom. Andere verschillen tussen Europa en de VS worden in de argumentatie niet meegewogen. De kosten voor militair onderzoek liggen in Europa veel meer bij de bedrijven zelf en minder bij de overheden. In Europa is anderzijds meer exportsteun beschikbaar voor militaire exporten door bedrijven.

Met selectief te winkelen wordt een militair-onderzoek-wedloop gepropageerd.

Europese gelden

Bovendien kan de industrie steeds meer over EU-geld voor onderzoek beschikken. Er is geld voor defensie, veiligheid en ruimtevaart. Ook de laatste twee hebben een sterke militaire tak. Binnen het 7de Framework Programma (FP7) voor onderzoek en technische ontwikkeling is 570 euro per jaar uitgetrokken voor veiligheid en ruimtevaart. Volgens de Europese Parlementariër Von Wogau is er zelfs een budget van 750 miljoen euro per jaar om de gezamenlijke Europese en ruimtevaart en veiligheidsprojecten te steunen

Een aantal vragen wordt stelselmatig niet beantwoord:


* Is ‘Veiligheid’ synoniem met militaire veiligheid? (De vraag die steeds in verschillende varianten terugkomt in deze serie, omdat zo vaak de indruk wordt gewekt dat het antwoord ja is, zeker in de verdeling van middelen.)
* Is dit onderzoek technologie en industrie gedreven of gericht op het oplossen van problemen? In de aanloop naar de budgettering van het 7de Framework Programma stelt het hoofd onderzoek van Greenpeace VK, Doug Parr, juist dit onderwerp aan de orde.
* Waarom zou Europa zich spiegelen aan de Verenigde Staten? (Laat Europa doen waar het goed in is diplomatie. Laat de overheid doen waar ze goed in is en dat is het bieden van veiligheid aan haar burgers. Die veiligheid ligt eerder in goede gezondheidszorg en veiligheid op straat dan in meer en beter bewapende militairen. Waarom zou ook Europa op een te grote voet gaan leven?)


Martin Broek

Eerdere delen:
Deel 1: Ontwikkelingsdoelstellingen
Deel 2: Prioriteiten
Deel 3: Militaire onderzoeksgelden
Deel 4: Wapenhandel een schijntje

Noten:
1) Zie Analytical Perspectives bij de VS begroting 2009, p. 57.
2) Slotverslag van Werkgroep VIII “Defensie” van de Europese Conventie, p.15; Brussel, 16 december 2002.

Bronnen:
* Begroting Verenigde Staten 2009. Zie: gpoaccess.gov/usbudget/fy09/browse.html
* AeroSpace and Defence Industries Association of Europe) PRESS RELEASE ASD calls for further integration of European defence market at French EU Presidency conference, Marseille, 31 oktober 2008.
* Website European Defence Agency, zie: eda.europa.eu/
* ‘EU Ministers Adopt Framework for Joint European Strategy in Defence R&T’, Brussel 19 november 2007, eda.europa.eu/genericitem.aspx?area=2&id=287
* Website Europese Unie ruimtevaart onderzoek: ec.europa.eu/enterprise/space_research/fp7.htm
* Frank Slijper, From Venus to Mars: the European Union´s steps towards the militarisation of Space, November 2008 A TNI briefing paper in cooperation with Campagne tegen Wapenhandel [the Dutch Campaign against Arms Trade].
* Ben Hayes, Arming Big Brother: the EU's security research programme, april 2006,
* Frank Slijper, "Europese Grondwet: Defensieagentschap en militair onderzoek," CtW, mei 2005;
* Zie: ‘The industry: competition and export’, in ‘The arms industry and the EU Constitution’, ENAAT Research Group, Martin Broek & Wendela de Vries, januari 2006.
* ‘Assessing the 'green' credentials of FP7’, 4 mei 2005
* Brian Morris, "Networking and Research Opportunities in Europe," Aerospace and Defence Industries Association of Europe (ASD), 29 maart 2005.
* Charles W. Wessner, "Innovation, Security & Growth," Brussel 19 november 2004.
* Martin Broek, ‘Onderzoek naar nieuwe wapens, de VS’ en ‘… de Europese Unie’, ‘t Kan Anders, juni 2005.
* Martin Broek, ‘Europe’s Defence Industry & its Arms Trade with Asia Pacific,’ in ‘Europe-Asia Arms Trade Challenges ASEM Security Dialogue’, Transnational Institute in Cooperation with AMOK, CAAT, Focus on the Global South and IDD, 1998.