Posts tonen met het label krijgsmacht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label krijgsmacht. Alle posts tonen

dinsdag 12 april 2011

Defensie kiest: voor zware wapens


Dat CDA, VVD en PVV er voor zorgen dat het Nederlandse leger mee moet doen aan de bezuinigingen kan niemand verbazen. De VVD heeft de plannen van beide partners moeten slikken. Het CDA stelde voor de verkiezingen een structurele bezuiniging van 500 miljoen. De PVV ging voor 1,1 miljard aan structurele bezuinigingen en ruim honderd miljoen aan incidentele. De VVD ging voor de nul. Het is ergens tussen de drie komen te liggen met bezuinigingen ter waarde van 650 miljoen euro.

In de pers wordt veelal lekker makkelijk een miljard aan bezuinigingen genoemd, maar een groot deel daarvan is bedoeld om de wanorde binnen Defensie op te ruimen. De kas moet weer kloppend gemaakt worden. De voorraadkasten zijn leeg en moeten aangevuld worden. Defensie is een uitgeleefd huis. De puinhoop was geen geheim, maar een Kamermeerderheid wilde jarenlang niet al te drastisch ingrijpen. Dat het oplappen van een woning – waarde 8 miljard euro – kosten met zich meebrengt kan niemand echt verbazen. Het is eerder opmerkelijk dat Defensie er zo lang mee wegkwam. De 175 miljoen euro die dit kost kan je moeilijk zien als bezuiniging. Het is de premie die betaald moet worden voor wanorde.

Ook zijn er nog twee nieuwe loketten geopend: een voor cyber oorlog en het andere voor onbemande vliegtuigen. Wat cyber oorlog betreft houdt Nederland het het niet bij verdediging tegen aanvallen, maar Defensie gaat zelf ook een cyber warior worden. Het leger wordt uitgebreid met mensen die de IT-technologie van anderen aan kunnen vallen. Ook voor dat nieuwe wapenwedloopje, inclusief onbemande MALE vliegtuigjes, is een potje gereserveerd van 150 miljoen euro. Logisch dat dat geld elders weggehaald wordt, anders klopt de begroting niet meer en de tijd lijkt voorbij dat daar dan wel weer een mouw aan wordt gepast.

De som van de bezuinigingen is niet het belangrijkste, maar wel de inhoudelijke keuzes die gemaakt worden. Als eerste moet de vraag gesteld worden: Wat voor leger willen we hebben? Er is de afgelopen jaren flink wat werk gestopt in het beschrijven van modellen voor het Nederlandse leger. Aan alle modellen hangt een prijskaartje. Het model 'Inzetten op specifieke kwaliteiten,' levert structureel 2,1 miljard euro bezuinigingen per jaar op. Model D 'Veelzijdig inzetbaar,' levert structureel het minste op, nl. 400 miljoen euro per jaar. Minister van Defensie Hillen richt zich op een model D+. Maar uit zijn plannen spreekt vooral de wens zo snel mogelijk weer naar een hoger investeringsniveau terug te keren.

Dat de bezuinigingen omkeerbaar moeten zijn en door de Minister niet gewenst, spreekt niet alleen uit zijn uit de brief geschrapte woorden “deze brief bijdraagt tot het besef dat Nederland voor zijn veiligheid onderverzekerd dreigt te raken” en zijn uitspraken tijdens het debat vanmiddag. Ook is het goed te zien aan de wapens waarop bezuinigd wordt. Dat Nederland van tien naar zes mijnenjagers gaat, zal niemand echt merken. Dat de tanks afgeschaft worden is jammer voor de cavaleristen en hun onderhoudsdiensten, maar van zestig naar nul is een kwestie van efficiency. Er zijn dan geen reserveonderdelen en personeel voor tanks meer nodig. Helikopters afstoten die het toch al niet goed doen, is eerder zinvol dan een probleem. Van 87 F-16's waarvan een deel niet vliegt naar een luchtvloot van 68 F-16's die wel paraat is, klinkt militair verstandig. Bovendien kan de luchtmacht zo wennen aan een kleiner aantal jachtvliegtuigen; er komen eerder minder dan meer JSF's.

Met de JSF is gelijk iets anders genoemd dat opvalt. Er zit nog een lijn in de bezuinigingen. De aankoop van hypermoderne en peperdure straaljagers wordt ook in tijden van bezuinigen doorgezet met de aankoop van een tweede testvliegtuig. Van de nieuwe korvetten die kleiner zijn dan de andere oppervlakte schepen moeten er al twee verdwijnen voordat ze in dienst zijn. Alle grote fregatten (waaronder de zeer hoogwaardige luchtverdedigingsfregatten) mogen blijven. Het resultaat is dat het schip van de wacht in de Antillen en Nederland niet een scheepje op maat is, maar een veel te duur en overbewapend hoog technologisch fegat; alsof je kok met twee Michelin sterren een boterham laat smeren. Defensie kiest voor state of the art wapens voor het hogere geweldspectrum.

Hillen wil internationaal in de Champions League meespelen. Velen zeggen dat dit niet kan, maar hij heeft meer kijk op het spelletje dan zijn tegenstanders die vinden dat het leger daarvoor te klein wordt. Een klein land als Nederland moet zich erbij neerleggen dat het op eigen houtje niet lukt, maar het beschikt wel over hoogwaardige kennis die ingezet kan worden bij oorlogen en conflicten her en der in de wereld. Luchtmobiel, mariniers, pantserhouwitsers, apache helikopters, geavanceerde patriot raketten en marineschepen met raketschildtechnologie, het zijn allemaal top eenheden die ingepast in een groter geheel Nederland de status geven waarvan de Rob van Wijk's van deze wereld zeggen dat ze bang zijn die te verliezen. Er zijn wel twee problemen. Teveel verplichtingen leidt tot het verslijten van materieel en voorraden. Te vaak uitzenden zal er toe leiden dat nog meer middenkader het leger zal verlaten. Kennis en kunde verlaten dan de krijgsmacht. Logistiek en commandostructuren moeten op peil blijven om elders te kunnen interveniëren. Hillen kiest om het in zijn woorden te zeggen voor 'kort, krachtig en hoogwaardig' optreden en houdt ondanks de bezuinigingen een leger op poten dat dit kan.

Waarom willen de deskundigen na de Koude Oorlog eigenlijk een groot leger behouden? Eerst was het Al Qa'ida. Nu is het in hoofdzaak de onvermijdelijke aanstormende strijd om de grondstoffen die het vaakst genoemd wordt. Een strijd met opkomende machten als China en India en zelfs als Brazilië wordt genoemd. Er wordt niet gemeld dat de NAVO voorlopig nog goed is voor zo'n 70 procent van de defensie uitgaven in de wereld. Met onze kwetsbaarheid valt het dus wel mee. Dat de Chinese marine naar verwachting pas over een aantal decennia mee zal gaan tellen wordt niet genoemd. De Koude Oorlog is over en een grote vijand is in de verste verten nog niet te zien. Maar angst blijkt hier een raadgever die tot een hoger budget kan leiden.

Nederland moet helemaal niet in die Champions League willen spelen, ook niet met zes of zeven spelers. Ze kan zich beter richten op de breedte sport. Met andere woorden: een leger dat niet kort, krachtig en hoogwaardig optreedt, maar efficiënt, mild en met compassie. Dat betekent die grote zware fregatten er uit, geen Joint Strike Fighter, maar een vliegtuig voor luchtverdediging. Dat betekent geen trainingen contraterrorisme, maar communicatie in multinationale omgeving. De bezuinigingen gaan de goede kant op. Nu de inrichting nog kort, krachtig en waardig verbouwen naar een leger in dienst van mensen. Dat kan ook met minder geld.

Martin Broek

Geschreven voor Sargasso

Brief van Hillen

vrijdag 14 januari 2011

Zuid-Afrika als klant

In Zuid-Afrika gaan de dingen niet zo als beloofd. Lang niet voldoende huizen, slechte sociale omstandigheden voor hen die aan de verkeerde kant van het spoor wonen en een samenleving die moeizaam bij elkaar te houden is.

Wat wel goed gaat – behoudens een corruptieschandaaltje hier en daar – is de opbouw van een sterk Zuid-Afrikaans leger. Nieuwe gevechtsvliegtuigen, pantservoertuigen, onderzeeërs en fregatten. Het lijkt niet op te kunnen.

Nu maakt Zuid-Afrika plannen voor de volgende aankoop. Dit keer niet zo mega-groot. Gewoon zes patrouilleschepen (OPV’s) voor de marine. Drie voor het binnenland en drie voor de oceanen rond Zuid-Afrika. Totale kosten worden geraamd op 160 miljoen euro.

Twee bedrijven bevechten elkaar om de gevechtssystemen te leveren: het Duitse Atlas Elektronik en Thales African Defence Systems (ADS). Dat laatste bedrijf heeft een product uit Hengelo en “een boel lokale ontwikkeling,” in de aanbieding. Dat betekent dure banen voor hoogopgeleiden.

Bron: Leon Engelbrecht, ‘Atlas, Thales ADS to Compete for OPV Combat System,’ defenceWeb, 31 maart 2009.

donderdag 13 januari 2011

Vrouwendag; Gastblog


Martin stelt ter ere van Vrouwendag een gastblog ter beschikking. Om in de lijn van zijn blog te blijven zal ik het hebben over vrouwen en oorlog. Dat is trouwens een goed issue om aan te geven wat het punt van Vrouwendag is. In oorlog is de rolverdeling tussen mannen en vrouwen heel scherp. Mannen gaan vechten, vrouwen niet.

Uitzonderingen daargelaten. Vrouwen hebben meestal andere dingen aan hun hoofd. Ze moeten zorgen voor kinderen, opa’s en oma’s. En in door oorlog ontwrichte samenlevingen moeten ze daar vaak grote risico’s voor nemen. Vrouwen gaan naar de markt in Bagdad waar bommen ontploffen. Moeten brandhout verzamelen in de bush van Darfur waar losgeslagen milities rondstruinen. Weten in Gaza niet waar hun meel vandaan moet komen nu de tunnels worden opgeblazen terwijl de grenzen nog dicht zitten.

Vrouwen hebben andere zorgen dan de militaire overwinning. Natuurlijk willen ze vaak ook wel een overwinning. Al was het maar om hun vechtende vaders/zoons/broers te steunen. Maar dat komt er nog bij, dat komt bovenop de zorgen die ze toch al hebben.

Wat volgt hieruit? Dat vrouwen in oorlog andere belangen hebben. Dat ze bij beslissingen over wel of niet gewapend optreden, wel of niet onderhandelen, wel of geen bestand, misschien andere keuzes zouden maken. En dat ze alleen al daarom macht moeten hebben om mee te beslissen.

Ik denk niet dat vrouwen van nature vredelievender zijn dan mannen. Ze hebben belangrijker dingen aan hun hoofd dan oorlog voeren, maar geef ze een wapen en ze kicken daar net zo op als de gemiddelde man. Kijk op bovenstaande foto maar eens hoe deze dames op de Huishoudbeurs van hun (wat zal het zijn? Dimaco C7?) gun genieten. (Hippe instructeurs trouwens. Zou dat roze in hun khaki speciaal voor de Huishoudbeurs zijn?)

Het valt misschien niet zo op, maar intussen voert ook Nederland oorlog. Er zitten rond duizend Nederlandse militairen in Uruzgan. De positie van Afghaanse vrouwen wordt zwaar ingezet om die oorlog te rechtvaardigen. Vrouwen worden onderdrukt door Taliban, wij Nederlanders staan voor vrouwenrechten, ergo wij bestrijden Taliban. Wij goed, zij slecht, vrouwen blij. Maar intussen wordt de positie van vrouwen in Afghanistan er alleen maar slechter op. Dat ligt aan de Taliban, maar dat ligt ook aan de oorlog.

En wie beslist er over onze inzet in Afghanistan? Bekijk onderstaande foto’s voor de militaire en de politieke beslissers over deze oorlog.
En tel de vrouwen.

Wendela de Vries





Gechreven voor vrowuendag zondag 8 maart 2009

woensdag 12 januari 2011

“Capitalism ___________ Everywhere”

De discjockey van dienst tijdens de top-2000 draaide speciaal voor de troepen in Uruzgan ‘Bright side of the road’ door Van Morrison (nr. 773). Dat de kant van de weg in Uruzgan een weinig amusante betekenis heeft, drong blijkbaar niet door tot vrolijke Frans uit Hilversum. De solidariteit strekt zich uit over holle frasen, kennis van de situatie en de bermbom hoort daar niet bij.

Dit is de inleiding van een column die ik ik op 31 december 2007 schreef en publiceerde. Een reactie van Hans de Koning op Combat proven (deel 2) deed me besluiten deze hier te publiceren.

Niet alleen vanwege het directe verband, ook in het algemeen doet ‘de bright side’ geen recht aan de situatie binnen het Nederlandse leger. Defensie heeft een groot deel van haar wapens in de verkoop gezet om de missie in Uruzgan financieel vol te kunnen houden.
De uitstroom van soldaten is groter dan de instroom en dat al jaren. Resultaat vijftien procent van de vacatures zijn niet gevuld.

Discjockeys zijn enthousiaster over Defensie dan de militairen zelf, blijkt. Defensie heeft al overeenkomsten gesloten met Sociale Zaken en Onderwijs om de instroom te vergroten. Onderzocht wordt of het soelaas biedt jongeren met een instabiele gezinssituatie 24-uursopvang te geven, met het doel een verhoogde instroom vanuit deze groep.

Een andere werkwijze om de personeelstekorten op te lossen is het inhuren van personeel van civiele ondernemingen die militaire taken verrichten. Deze bedrijven worden doorgaans Private Military Companies (PMC’s) genoemd. Blackwater is na het schandaal van een paar maanden geleden de bekendste.

Nederlandse officieren staan niet te juichen over de huur van deze diensten. Logistieke en militaire taken worden “daadwerkelijk verzorgd door de firma’s Halliburton en Blackwater … met de bekende bloedige missers. (…) samenwerking met dit soort firma’s ondergraaft het draagvlak voor de missie in de eigen maatschappij en bij de militairen. (…) Tenslotte kent de inzet van civiele firma’s (voor bijvoorbeeld onderhoud) in crisisgebieden zo zijn beperkingen; zo wilde Fokker geen onderhoud uitvoeren aan de F-27 in het gevaarlijke Cambodja (1991)”, aldus een redactioneel artikel in Carré, het maandblad van de Nederlandse Officieren Vereniging.

Ook in een door de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) gepubliceerd rapport (‘De inhuur van private militaire bedrijven een kwestie van verantwoordelijkheid,’ nr. 59, 12/2007) komt de onbetrouwbaarheid van de civiele bedrijven voor militaire diensten aan de orde. Ze vallen niet onder de krijgstucht, ze kunnen taken weigeren en in het heetst van de strijd zijn ze eerder een blok aan het been dan een hulp.

Desondanks neemt het uitbesteden van militaire taken steeds grotere vormen aan. In Irak zitten er momenteel 180.000, waarvan 30.000 gewapende beveiligers. Jaarlijks geven zowel het Pentagon als het State Department 4 miljard dollar uit aan PMC’s. Nederland huurt steeds meer civiele bedrijven in voor taken in Afghanistan, waaronder bijvoorbeeld Dyncorp, het bedrijf dat vooral bekend is geworden van het platsproeien van de cocavelden in Colombia en in Bosnië door illegale wapenhandel en handel in vrouwen en kinderen.

In het AIV-rapport staat ook de belangrijkste kritiek op het privatiseren van het militaire bedrijf, nl.: “Contractors zijn er in de eerste plaats op uit om hun aandeelhouders tevreden te stellen en niet om louter een hoger politiek belang te dienen. Integendeel, de private militaire industrie gedijt juist bij internationale spanningen,” aldus het AIV.

Eimert van Middelkoop verwoorde een paar jaar geleden op een bijeenkomst van het IKV ook zijn bedenkingen tegen de inzet van PMC’s. In een Engelstalige toespraak stelde hij: “Capitalism is everywhere. Even in places or institutions where, by definition, you would not expect it. Now it seems even a threat for one of the basics in international political life: the Weberian notion of the monopoly of the legitimate use of violence that belongs to the state. Much of this monopoly no longer resides with the state in many countries of the so-called Developing World. The privatisation of warfare has for some time emerged as a force in regional security. It even presents itself as an alternative for the traditional role of the international peacekeeper from institutions like the UN,” dit volgens de huidige bungelende Minister van Defensie.

Niet alleen filosoof Weber ook de apostel Paulus was hier helder in en bevooroordeeld als ik ben lijkt mij die eerder het pad van Eimert te kruisen. In zijn brief aan de Romeinen (13:3-4) schrijft Paulus: “Wie doet wat goed is heeft van de gezagsdragers niets te vrezen, alleen wie doet wat slecht is. U wilt niets van de overheid te vrezen hebben? Doe dan wat goed is en ze zal u prijzen, want ze staat in dienst van God en is er voor uw welzijn. Maar wanneer u doet wat slecht is, kunt u haar beter vrezen: ze voert het zwaard niet voor niets, want ze staat in dienst van God, en door hem die het slechte doet zijn verdiende straf te geven, toont ze Gods toorn.” Ook hier een duidelijke rolverdeling. Van Middelkoop moet ook hier zijn kritiek in slikken en zijn principes offeren aan de mamon van het regeringscompromis. Daarmee ruilt de Christen Unie niet alleen weer een degelijke en principiële politiek in voor opportunisme, maar veel belangrijker doet ook een aanslag op een politiek die goed is voor vrede en veiligheid in de wereld.

Terug naar die DJ van de top-2000: ‘Dancing in the dark,’ van Bruce Springsteen (nr. 236) was wat mij betreft toepasselijker geweest en zou meer recht hebben gedaan aan de positie van de Nederlandse militairen in Uruzgan.

(2007-12-31 met een paar aanpassingen)


Toevoeging 31 december 2009:
The he Regulatory Context of Private Military and Security Services in the Netherlands, Guido den Dekker, Utrecht

dinsdag 11 januari 2011

Eimert op de kast

Van Middelkoop laat het leger niet langer verslijten. Hij houdt zelf opruiming. Dan kunnen de spulletje ook niet verslijten en brengen toch nog wat op. Logische gedachte. Zo gaan van de overgebleven 88 Leopard-tanks 28 stuks de deur uit, voor achttien van de negentig F-16’s wordt een nieuwe bestemming gezocht en van het krommebaan-geschut, de pantserhouwitser PzH2000, gaan er al weer 24 afgestoten worden. De week nadat het Nederlandse geschut uitgebreid de pers haalt, omdat het kanon is ingezet bij beschietingen tijdens de strijd in Chora, blijkt dat Nederland van de oorspronkelijke bestelling van 57 stuks nog maar vijftien kanonnen overhoud. Ze zijn door de producent nog niet eens allemaal in Nederland bezorgd, als er al weer 42 worden afgestoten. Voor een interventie in het hoge geweldspectrum is dit blijkbaar genoeg. In Afghanistan worden er drie ingezet. Vorig jaar pompten ze voor het eerst hun granaten het slagveld op en in de afgelopen periode tijdens de gevechten in Chora schoten ze vanaf 30 kilometer afstand de vechtende troepen te hulp. De PzH haalt met de laatste inzet YouTube (‘Dutch artillery pounding taliban positions’). Het filmpje wordt overgenomen op talloze websites.




President Karzai was niet zo blij met het Nederlandse optreden. “Kan het wat voorzichtiger,” zo stelde hij. Gelijk zat Eimert op de kast, je kan je dat nauwelijks voorstellen, de minister van Defensie is een keurig en rustig heerschap, maakt soms een foutje, maar is geen straatvechter. Toch haalde hij meteen krachtig uit naar de Afghaanse president die het gewapende paard in de bek durfde te kijken en wat aan te merken had op de hulp van de Nederlanders. “Karzai is niet op de hoogte van de modernste techniek,” stelde Middelkoop. “Onze pantserhouwitser is een precisiewapen,” zo stelde de baas van de troepen.

Kan best zijn maar op een afstand van 30 kilometer kan zelfs een kleine afwijking het verschil maken tussen het treffen van oppossing militant forces (OMF, zoals de tegenstanders in Afghanistan lekker vaag heten) en een onmiskenbare burger. Daar waarschuwde Karzai tegen. Hij moet de buitenlandse invasie verkopen aan zijn bevolking en dat wordt niet gemakkelijker als er tientallen burgerslachtoffers vallen. De reactie van Middelkoop was op zijn beurt weer bedoeld voor ons. Dat de opbouwmissie een vechtmissie is daar is iedereen wel van overtuigd, maar dat de hulp gepaard gaat met disproportioneel veel burgerslachtoffers dat moet weggepoetst worden.

Er wordt een heel scala wapens ingezet. Maar de inzet van drie stuks houwitsers is genoeg om de wereldpers te halen. Toch gaan er 42 in de verkoop. Maar wie wil ze hebben? Australië overwoog achttien van de Nederlandse houwitsers aan te schaffen, maar deze week werd bekend dat ze liever voor een ander type gaan (JDW 04/07/07). Het is een zwaar Kamp-wapen voor het hoge geweldspectrum, waar de vorige minister van Defensie volop aan deel wilde nemen en zijn wapenaankopen op richtte. Niet veel landen kunnen zo’n wapen gebruiken. Als Nederland de wapens al kan verkopen zullen ze tegen een lagere verkoop- dan kostprijs de deur uit gaan. Steeds minder kritisch kan men dan zijn ten opzichte van potentiële klanten. De overheid is al de grootste wapenhandelaar van Nederland en zal dat nog een tijdje blijven. Nederland kan door de verkopen wel mee blijven vechten in Afghanistan. ‘Karzai we stay,’ is de boodschap die de verkoop etalage van Defensie uitstraalt.
(2007-07-07)

Deze column is al lang geleden geschreven, voor konfrontatie.nl. Veel ervan gaat nog steeds op.

Investeringsadvies: lucratieve wapens

Investeer in wapens, adviseerde Rob De Wijk deze week de lezers van Sp!ts. “China en Rusland zijn al bezig met investeren in krijgsmachten om de aanvoer van energie en grondstof veilig te stellen. Het is daarom redelijk plausibel dat aandelen in de wapenindustrie een groot groeipotentieel hebben”, aldus ons nationale orakel als het om oorlog gaat.

Zijn woorden sloten mooi aan op een bericht dat ik een dag eerder las. Met de Amerikaanse wapenindustrie zou het wel goed blijven gaan. Dat stelde een handjevol Amerikaanse investeringdeskundigen: “Om eerlijk te zijn vormen wapenfabrikanten een geweldige vluchthaven gedurende de onrust [op de financiële markten.].” Je kan daar nog aan toe voegen dat ze over voldoende eigen liquide middelen beschikken en, in navolging van Rob de Wijk, wil ook ik een lucratieve toekomst voorspellen.

Eind september schoot het Congres het reddingsplan voor de financiële crisis af. Op grond van electorale en liberale overwegingen kon de markt naar de broodnodige 700 miljard fluiten. Hoewel dit een paar dagen later nog werd rechtgezet is dit des te opvallender gezien de beslissing van enige dagen daarvoor (24/9) om de defensiebegroting voor 2009 goed te keuren. Vrijwel geruisloos is een vrijwel gelijk bedrag - 612 miljard Amerikaanse dollars – door het Congres geloodst.

Dat betekent dat de Verenigde Staten hun overwicht over de rest van de wereld handhaven, door net zoveel aan het krijgsbedrijf uit te geven als alle andere landen op deze aardkloot bij elkaar. Daarbij komen dan nog vele extraatjes, die vaak in de tientallen miljarden lopen. De geavanceerde wapens waarover uncle Sam kan beschikken zijn zeer prijzig of worden dat gemaakt door de wapenindustrie. Het geld wordt steeds minder aan soldaten en steeds meer aan techniek en ijzer uitgegeven.

De Amerikaanse regering heeft bezuinigingen op de overheidsuitgaven hoog in zijn vaandel staan, behalve als het om wapens gaat. Het principe van de nachtwakerstaat – dat zo’n centrale rol speelt in de huidige neoliberale ontwikkelingen (en eerder al de opkomst van de Verenigde Staten als economie) - wordt nergens zoveel eer aangedaan als in de VS.

Om de markt te voorspellen moet je niet naar het Oosten kijken, maar naar het Westen. Men verwacht dat ook het Amerikaanse oorlogsbudget voor 2010 fors zal zijn. Tenminste dat wordt verwacht. Pin me er niet op vast, maar ik kan het niet laten ook een advies aan investeerders te verstrekken. Ik voel me gelijk een stuk mannelijker.

Nederland is natuurlijk een kleine speler naast landen als China, Rusland en vooral de VS, maar alle kleine beetjes helpen. Al behoort ons piepkleine landje wel bij de twintig wereldwijde militaire groot besteders. Toch lijkt het een waarheid als een koe dat Nederland te weinig aan haar krijgsbedrijf spendeert, omdat dit minder is dan 2% van het Bruto Nationaal Product. Dat schijnt fout te zijn. In absolute cijfers scoort Nederland goed. Daarom wordt de nadruk steeds meer op dit relatieve cijfer gericht. Het is te verwachten dat als volgend jaar de zogenaamde verkenningen naar de Nederlandse Defensie wordt afgesloten dat dan de roep om extra geld de kracht aan zal nemen van een startende straaljager.

Na 9/11 profiteerden de wapenproducenten. Nu blijkt de economische malaise weer koren op hun molen. De staatschuld van de VS zal er niet kleiner van worden. Waar moet dit eindigen?

Als toetje een comische kredietcrisisnoot.

Mit Splitterwirkung

Ziek kom ik mijn bed uit. De kinderen en mijn vriendin hebben al gegeten. Ik probeer ook wat binnen te krijgen. Dan gaat mijn mobiel. Het is X.

Ik heb X al in geen jaren meer gesproken. Zonder verdere introductie steekt hij van wal.

“Nederland heeft een automatsche granaatwerper gekocht, bedoeld om het Afghaanse verzet uit te roeien.”

‘Hallo zeg’, denk ik, ‘van dik hout zaagt men planken’.

“De granaten verspreiden scherven en daardoor zal de burgerbevolking ook omkomen,” zo gaat X verder.

“Het is niet de bedoeling dat de buitenlandse troepen te veel burgerslachtoffers maken,” stel ik ter nuancering, “ze kennen ook de boekjes over de vis en de vijver.”

“Ja de harts and minds,” is de reactie aan de andere kant, “maar daar snappen ze toch te weinig van om die te winnen.”

De volgende dag, nog niet echt beter, surf ik over het internet opzoek naar die automatische granaatwerper, de AGW, die het Nederlandse leger heeft aangeschaft. Defensie-info schrijft:

“De nieuwe AGW kan 350 schoten per minuut lossen. De granaten die ermee worden afgeschoten hebben binnen een straal van zes meter een dodelijke werking; binnen 25 meter veroorzaken ze verwondingen.”

“Niet gering,” denk ik.

Op de site van Heckler & Koch, de producent van het wapen, lees ik dat hij los, maar ook gemonteerd op voertuigen, helikopters en patrouilleschepen dienst kan doen en de bijpassende munitie tegen personen een ‘Splitterwirkung’ heeft. Het klinkt bijna vriendelijk in het Duits.

Luchtbombardementen in de strijd tegen de taliban (Taliban is een soort containerbegrip aan het worden voor iedereen die, om welke reden dan ook, gewapenderhand van de buitenlandse troepen af wil, maar dit terzijde) leiden regelmatig tot burgerslachtoffers en verwoeste akkers. Inderdaad een contraproductieve bijdrage bij het winnen van harten en geesten. Het cynisme van deze laatste zin drong ook bij mij niet gelijk door.

De tabilban strijders verschuilen zich vaak tussen de burgers en vallen vanuit die positie ook de interveniërende troepen aan. De AGW met munitie met scherfwerking, dodelijk in een straal van zes meter zal er raad mee weten. Ook bij de inzet hiervan zijn burgerslachtoffers vervolgens niet uit te sluiten. De verwijten zullen dan bijna vanzelfsprekend naar de Taliban gaan, die zich van een dergelijke laffe tactiek bedienen om zich tussen burgers te verstoppen. Het is niet eerlijk, maar oorlog.

De middag voor het telefoontje met X belde iemand van een milieu, mensenrechten en ontwikkelings NGO met de vraag: “Weet je of Nederland al gebruik maakt van milieuvriendelijke munitie, zoals een Britse wapenfabrikant (BAES) die produceert?”

Ik knijp in mijn arm. Is dit een koortsdroom. Nee ik ben nog wakker. Het is echt. Ik zal deze vraag door moeten spelen naar Heckler & Koch, de Duitse wapenproducent: “Kunnen jullie de AGW voorzien van Munition mit Splitterwirkung die goed is voor mens en Umwelt?”

Nu duik ik, wel met koorts, mijn bed in om verder uit te zieken.

Geschreven voor www.konfrontatie.nl 2007-03-05

Fred Spijkers: eenling in gevecht met de staat (recensie)


In 1984 komt Rob Ovaa bij tests van een ondeugdelijke mortiermijn om het leven. Al het tweede dodelijke ongeval in een jaar tijd met deze mijn, waarbij in totaal acht personen verongelukten. Defensie stopt beide zaken in de doofpot, waarna Fred Spijkers een jarenlange strijd aanbindt met de autoriteiten. In Een man tegen de Staat wordt 's mans gevecht tegen windmolens minutieus beschreven.

Het is minimaal zeventien jaar geleden dat ik Een Man van Oriana Falaci las. De toen nog niet verbitterde auteur vertelde er zelf het volgende over: "Een boek over de eenzaamheid van het individu, die weigert in een hokje gestopt te worden, weigert een etiket opgeplakt te krijgen en beknot te worden door de modes en ideologieën, door de maatschappij en de Macht. Een boek over de tragedie van de dichter die geen massamens wil zijn en dat ook niet is, geen instrument in de handen van hen die verordonneren, van hen die beloften doen, van hen die angst aanjagen."

[…] "Het is een boek over de held die alleen strijdt voor de waarheid", aldus Falaci, "zonder zich ooit over te geven en daarom sterft, door allen vermoord: door meesters en de knechten, door de gewelddadigen en door de onverschilligen." De koppigheid van De Man van Falaci in de gevangenissen van de Griekse kolonels staan mij, zeventien jaar na lezing, nog steeds bij.

Koppigheid zie je ook terug bij Fred Spijkers, een voormalig BVD-agent en bedrijfsmaatschappelijk werker van Defensie die geen willoos instrument in handen van de macht wilde zijn. Over zijn tragedie, strijd en gevecht tegen de bierkaai heeft de onderzoeksjournalist Alexander Nijeboer een minutieus boek geschreven.

Dodelijke mortiermijn

'Een journalistieke triller die leest als een spionageroman', zo omschrijft de uitgever Een man tegen de Staat op de achterflap. 'Een Kafkaëske geschiedenis ...', zo wordt de Nationale Ombudsman Brenninkmeijer aangehaald. Maar wie denkt een vlotte tekst te gaan lezen komt bedrogen uit. Goed en helder beschreven, maar met de preciesheid van een boekhouder, legt Nijeboer stapje voor stapje meer dan twintig jaar geschiedenis van Fred Spijkers bloot. 'Zo kent een fatsoenlijk burger Nederland niet!', vat Lodewijk de Waal, voormalig voorzitter van de FNV, het verhaal kernachtig samen.

In 1984 komt Rob Ovaa, een munitiespecialist van Defensie, bij tests van een mortiermijn van Nederlandse makelij om het leven. Fred Spijkers wordt belast met de taak de weduwe, Marjolein Ovaa, op de hoogte te stellen van het ongeluk. Hij moet van zijn opdrachtgever vertellen dat het ongeval helaas aan het slachtoffer zelf te wijten is geweest. Daarmee kunnen schadeclaims vermeden worden en vragen over de kwaliteit van de mortiermijn worden voorkomen.

Spijkers doet wat hem opgedragen is, maar laat in het gesprek tegelijkertijd blijken dat hij zelf niet in het verhaal gelooft. Van de geteste mortiermijn was op dat moment al langer bekend dat met name de ontsteker slecht functioneerde en meermaals tot uitgestelde ontploffingen had geleid. Een eerder onderzoek in 1970 had dit al aan het licht gebracht. "Als er destijds een interne instructie was gemaakt, dan was het ongeval op 14 september 1984 niet gebeurd", aldus de uitvoerder van het onderzoek.

In 1983 vielen hierdoor zeven doden bij een ongeval met dezelfde mortiermijn, geproduceerd door het bedrijf Eurometaal. Bij beide ongelukken speelde, naast andere facetten, de ontsteker een belangrijke rol. Overigens blijft in het boek de periode tussen 1970 en 1983 vrijwel onbesproken. We weten nu niet wat er in die periode met de AP-23 mortiermijn is gebeurd.

Beerput

Spijkers verdiept zich verder in de zaak en vindt meer onduidelijkheden, maar stuit ook op steeds meer weerstand bij het openen van een stinkend zaakje, dat hoe langer hoe groter wordt. Hij wordt voor gek verklaard, lastig gevallen, beschoten, getreiterd en ontslagen. Maar dat laatste toch weer niet helemaal, want de beerput moet binnenskamers blijven en defensie geen last berokkenen. Stukken die belastend zijn, worden verwijderd uit de onderzoeken. Gek genoeg is er niemand die dit aankaart.

De verongelukte Rob Ovaa wordt onvoorzichtigheid verweten. Hij liep gewoon te snel op de mijn af, eigen schuld dus. De voormalig officier van justitie Dirk Veurink die de zaak in 1989 behandelde, zegt daar nu het volgende over: "Ik ga er niet vanuit, maar stel nou dat hij te vroeg op die mijn is afgelopen, dan nóg snap ik niet waarom Defensie ook maar één reden heeft om zich te onttrekken aan de aansprakelijkheid voor de dood van Rob Ovaa. Dat is klip en klaar."

Verder voelt Veurink zich door Defensie misbruikt, als deksel op een doofpot. Zijn uitspraken uit 1989 die het gelijk van Defensie bepleitten, werden naderhand gretig gebruikt om de tegenstanders, Spijkers en Marjolein Ovaa, de mond te snoeren. Ovaa en Spijkers tracht men uit elkaar te spelen door te stellen dat het over twee afzonderlijke zaken gaat en niet om één. Dat mag gedeeltelijk zo zijn, maar vanaf het begin is de kwestie Spijkers verbonden met die van de weduwe.

Na bemiddeling door de Nationale Ombudsman en een onderzoek door KPMG wordt november 2002 in een zogeheten vaststellingsovereenkomst door het ministerie van Defensie erkend dat het Fred Spijkers, de Tweede Kamer, de media en de samenleving achttien jaar lang systematisch heeft misleid. Aan Spijkers wordt een schadevergoeding toegezegd, plus een vergoeding van juridische en medische kosten.

Spijkers wordt gerehabiliteerd en zijn dossiers worden geschoond van kwalificaties als 'politiek crimineel' en 'politiek psychiatrisch geval. Ook ontvangt Spijkers wachtgeld over de periode 1993 - 2011. Dankzij Spijkers verbetenheid komt Marjolein Ovaa tot waarheidsvinding en een schadeloosstelling. Wel onder protest, aangezien de zaak bij Spijkers nog niet in kannen en kruiken is.

Verkeerde aanpak

Vanaf het begin is in de zaak Ovaa voor een benadering gekozen die tot steeds meer ellende heeft geleid. Het verbergen van de mankementen aan de mortiermijn - om schadeclaims te voorkomen, waardoor de mortiermijn onbesproken in productie kon blijven - hebben uiteindelijk tot veel meer problemen geleid dan wanneer de legerleiding direct open en eerlijk had opgetreden.

Dat Marjolein Ovaa de onderste steen boven wilde hebben nadat haar man zijn eigen dood werd aangewreven, ligt toch voor de hand. Dat een bedrijfsmaatschappelijk werker zijn verkeerde boodschap aan de weduwe goed wilde maken, getuigt van enige dapperheid, maar is vooral heel menselijk. De zaken zijn vreselijk uit de hand gelopen doordat de partijen nog verder tegen elkaar werden uitgespeeld, als gevolg van een machismo personeelsbeleid. Van een overzichtelijke kwestie, werd het een strijd tussen koppige en lastige mensen.

Als Spijkers over zijn schouder terug kijkt naar zijn conflict met het ministerie van Defensie, zegt hij dat het een strijd is geweest tegen ambtenaren die, zoals in een totalitair regime, op antidemocratische wijze maximale macht nastreven en daarbij extreme vormen van geweld niet schuwen. (p.219) Het voor gek willen laten verklaren van Spijkers is hiervan een extreem en zeer verwerpelijk voorbeeld. Je kan dan vervolgens niet meer pleiten voor een oplossing die zonder confrontatie, met inzicht in arbeidsconflicten en de oplossing daarvoor, kan worden bewerkstelligd.

In het dankwoord van Een man tegen de Staat passeren diverse familieleden van Spijkers de revue, alsmede journalisten, een arts en een politica. Krista van Velzen (SP) is een jong kamerlid, maar wel één met de instelling van 'dit varkentje zullen wij wel even wassen'. De zaak kwam in 2003 middels Kamervragen in een stroomversnelling terecht.

Maar waarom is er niet al tien jaar eerder iemand geweest die met hulp van een kafkabrigade de zaak Spijkers de wereld uit heeft geholpen? Geen eer aan te behalen, teveel kraaienpoten op de weg die het carrière-karretje wel eens zouden kunnen beschadigen. Niet de eenling maar het grote geheel is de taak van de politiek, heet het in de media dan zo mooi, maar onzinnig. Laat alle politici dan ook dat dikke gele boek met verzameld werk van Kafka wegdoen. De eenling staat soms symbool voor een groter geheel, en dat was in de zaak Spijkers het geval.

Geheime dienst

Wat in Een man tegen de Staat niet nader wordt uitgewerkt, maar een belangrijke rol in de kwestie moet hebben gespeeld, is het feit dat Fred Spijkers bij Defensie werkte en tevens voor de civiele inlichtingendienst de BVD (de huidige AIVD). Hij bracht wekelijks gegevens die hij binnen Defensie aantrof naar het BVD-kantoor aan de Kennedylaan in Den Haag.

In 1985 liep de zaak uit de hand nadat Spijkers een collega maatschappelijk werkster van Defensie, Anneke Heesterman, ervan op de hoogte had gesteld dat hij aan de BVD gemeld had dat de landmachtstaf een proces-verbaal over het onderzoek naar de ondeugdelijke mortiermijnen geheim wenste te houden.

Diezelfde middag werd het Spijkers door Defensie verboden nog iets met het AP-23 dossier van doen te hebben. Hij reageerde vervolgens uiterst formeel: "Ik ben niet alleen in dienst van Defensie maar ook van de BVD." (p.93-94). Vervolgens ging het in ras tempo bergafwaarts met zijn positie en namen de tegenmaatregelen toe.

Spijkers speelde een spel, dat moet hij toch geweten hebben? Hij kende toch ook de rivaliteit tussen de diverse inlichtingendiensten? De schrijver Oriana Falaci speelde in Een Man met machtsverschillen; Spijkers lijkt ze door zijn koppigheid niet te hebben willen inzien. Ook oneerlijke regels zijn regels die je niet hoeft te accepteren, maar waar je wel rekening mee moet houden. Als eenling met open vizier de strijd aan gaan met het ministerie van Defensie en zijn diensten; David en Goliath verbleken erbij.

Missers

Het boek van Alexander Nijeboer bevat de nodige fouten. Zo komen er kazernes in voor die niet bestaan, zoals de Rijkswerf in Amsterdam, (verwijst mogelijk naar de scheepstimmertuinen in de Gouden Eeuw waar tegenwoordig de Marine Kazerne Amsterdam (MKAD) is gevestigd). Inlichtingendiensten krijgen van de auteur een nieuwe naam, zoals de 'Buitenlandse Inlichtingen Dienst (BID)' wat natuurlijk Inlichtingendienst Buitenland (IDB) moet zijn. Een verstokte GroenLinkser als wijlen Ab Harrewijn blijkt een aantal malen als SP-er te worden opgevoerd, terwijl Ien Dales op het ministerie van Buitenlandse Zaken belandt waar zij nooit heeft gezeten.

Ik vind het wel bar worden als hij de werking van de mortiermijn beschrijft en daarbij niet verder komt dan één enkele soldaat als slachtoffer te noemen. Nijeboer is informatie over antipersoons landmijnen tegengekomen bij zijn onderzoek. Het heeft hem niet echt getroffen, zo lijkt het, zoals blijkt uit zijn beschrijving van de opspringende AP-23 mijn tot 1 meter en elders tot 1,5 meter (bij dit laatste cijfer wordt gesteld dat dit ze dodelijker maakt).

De mijnen zijn echter niet alleen bedoeld om te doden, maar ook om te verminken. Beste lezer: ben je man (zoals het merendeel van de soldaten in de wereld), ga dan even staan en kijk langs je lichaam naar beneden tot een meter van de grond. Wat kan je beter hebben om de moraal bij de tegenstander te verpesten dan opengereten magen, afgerukte piemels en overvolle ziekenboegen. Doden zijn gemakkelijker 'af te handelen.'

Militaire strategie kan goor zijn. Dat blijkt uit de dagelijkse routine en niet alleen uit de behandeling van de zaak Spijkers en Ovaa. Na de oorlog worden vaak kinderen en boeren het slachtoffer van onontplofte mijnen. Jammer dat Nijeboer door zijn gerichtheid op de zaak Spijkers dit vergeet te vermelden. Dit is overigens kritiek die verder reikt dan betrokkenheid bij de dagelijkse slachtoffers van antipersoonsmijnen. Het verandert je visie op het krijgsbedrijf en de rol die wapens daarin spelen.

Het kan ook zijn dat Nijeboer de kritiek bewust smal heeft gehouden, anders zou het maar afleiden van de zaak Spijkers. Het is een keuze. Maar voor mij lijkt het nu vaak alsof de context van het verhaal een grote firma is. Een firma die bijvoorbeeld design theepotten ontwerpt en produceert. Eén daarvan is gevaarlijk. Er werken bij Theepot & Co hufters die dit willen verbergen en slachtoffers van de theepotten en/of de hufters. Eerlijk gezegd gaat dat me een beetje vervelen na een paar honderd pagina's. Een boek is geen pamflet en moet meer context hebben.

De schrijver zit tot op het kleinste detail in de zaak Spijkers, maar vergaloppeert zich al snel zodra hij zich daarbuiten begeeft. Het is jammer dat die fouten er niet door de uitgever uit zijn gehaald; het boek verliest hierdoor aan geloofwaardigheid. Waarom zou de auteur de overige zaken wél juist weergeven, is een voor de hand liggende vraag. Maar volgens mij is Nijeboer in de zaak Spijkers heel secuur te werk gegaan, overtuigd van het belang om hierin geen fouten te maken.

'Advocaat'


Nijeboer stelt zich op als advocaat van Spijkers. Spijkers verdient een goede advocaat, maar dit is onderzoeksjournalistiek en geen pleidooi. Alle voorvallen worden steeds opnieuw in het voordeel van Spijkers uitgelegd, hetgeen op den duur flink gaat irriteren. Of Nijeboer door het subject van zijn gespit hiermee Spijkers uiteindelijk een dienst mee bewijst, is voor mij de vraag. Het boek lijkt mij voor een bemiddelaar in arbeidsconflicten uiterst leerzaam, maar ik ben benieuwd of en waar de professional de vingers op de zere plekken zal weten te leggen.

Al vroeg in het boek (p.16) loopt Spijkers helemaal leeg. Wim van Eekelen wordt afgeluisterd, De Ruiter is een pedofiel, misbruik van vrouwen wordt bij Defensie onder het tapijt geveegd en in het geheim ontwikkelt Nederland in de jaren '80 een nucleaire Walrus onderzeeër. Het is dan ook niet zo heel vreemd dat zijn bedrijfsarts, in dienst van Defensie, verklaart dat hij paranoïde verhalen verspreidt: 'Verhalen die waarschijnlijk volledige wanen zijn.' (mijn onderstreping van het feit dat er desondanks nog ruimte in de diagnose zit).

Let wel: Spijkers beweert dat de minister van Defensie een pedofiel is en de minister van Defensie wordt afgeluisterd. Zonder bewijzen moet dat toch wel tot dergelijke kwalificaties leiden, of was dit een algemene visie van Nederlanders in 1986 op het politieke bestuur, die zonder bronnen voor waar wordt aangenomen? Dan heb ik in die tijd niets van Nederland begrepen.

Zo kan ik mij ook vrijwel niet voorstellen dat er in de jaren '80 serieus gewerkt is aan de totstandkoming van een nucleaire Walrus onderzeeër. De RDM had het in die tijd al zwaar genoeg om het Walrus-project in de hand te kunnen houden. Er werd gewerkt aan een nieuw voortstuwingssysteem (Air Independent Propulsion) voor onderzeeërs, terwijl een nieuwe op de export gerichte onderzeeër van de Moeraal-klasse klaar lag op de tekentafel. Dan ook nog een nucleaire sub ontwikkelen is wel wat veel van het goede. Bovendien, de Walrus was niet geschikt om dienst te doen als nucleaire onderzeeër; een kleine atoomcentrale vult al bijna een hele Walrus.

Rijn Schelde Verolme probeerde overigens wél voet aan de grond te krijgen bij de bouw van nucleaire reactoren, maar dat leidde slechts tot grote verliezen. Ondanks al deze tegenwerpingen kan Spijkers gelijk hebben, maar dit soort boude uitspraken moeten eerst onderzocht en onderbouwd worden voordat ze in een boek opgetekend verschijnen. Enkel Kleintje Muurkrant opvoeren als bron, is een compliment aan het onverwoestbare Tilburgse blad, maar niet voldoende om de lezer te overtuigen van dergelijke zware aantijgingen over personen en overheid. Het doet de zaak Spijkers geen recht.

Boze reacties

Het eind vorig jaar verschenen boek heeft dan ook tot boze reacties geleid. Op pagina 16 en 313 staat geschreven dat oud-minister van Defensie Job de Ruiter zou zijn gechanteerd. Het betreffende ministerie heeft inmiddels op verzoek van De Ruiter een verklaring overgelegd van twee oud-medewerkers van de Militaire Inlichtingendienst die destijds belast zouden zijn geweest met deze chantage, hetgeen zij zich niet kunnen herinneren. Middels een inlegvel in het boek doet Nijeboer dan ook afstand van de passages.

Oud-topmilitair Diederik Fabius gaat verder. Die wil het boek uit de handel laten halen wegens grievende passages aan zijn adres. Nijeboer stelt in Een man tegen de Staat dat Fabius als kolonel van de Koninklijke Marechaussee de uitkomsten van een onderzoek naar het mijngeluk in 1984 zou hebben gemanipuleerd. Ook zou Fabius bij het onderzoek naar de mijnongelukken bewijsmateriaal hebben achtergehouden. In zijn boek stelt Nijeboer dat Fabius hierbij mogelijk valsheid in geschrifte heeft gepleegd om zo schadeclaims van nabestaanden af te wenden en vervolging van topambtenaren te voorkomen.

En demissionair defensiestaatssecretaris Cees van der Knaap is een bodemprocedure gestart tegen de onderzoeksjournalist. Nijeboer schrijft dat Van der Knaap tijdens zijn ambtsperiode twintig maal de Tweede Kamer heeft voorgelogen, waarbij de bewindsman mogelijk tot tweemaal toe valsheid in geschrifte pleegde door documenten te antedateren. Van der Knaap wil via de rechter afdwingen dat Nijeboer deze passages terugneemt.

Volgens Van der Knaap zou een rapport het Nationale Ombudsman d.d. 31 oktober 2006 over de zaak-Spijkers de beschuldigingen weerleggen. Nijeboer bestrijdt dit. De auteur is van mening dat uit het ombudsmanrapport de conclusie dat Van der Knaap onschuldig zou zijn niet valt na te trekken. Bovendien heeft de ombudsman in haar rapport veel belastend materiaal niet bij het onderzoek betrokken en baseerde de ombudsman zich grotendeels op door Defensie overlegd bewijsmateriaal.

Nijeboer heeft Van der Knaap aanboden de documenten die de bewindsman aan de ombudsman aanleverde openbaar te maken, zodat de journalist deze naast het door hemzelf vergaarde bewijsmateriaal kan leggen, maar Van der Knaap volhardt in zijn weigering om tegenover Nijeboer opening van zaken te geven. Volgens Nijeboer is de houding van Van der Knaap typerend voor de manier wanneer Defensie met de zaak-Spijkers omgaat.

Windmolens

Volgens mij geeft PvdA-Kamerlid Frans Timmermans een hele mooie samenvatting van de zaak Ovaa in het boek: 'Het zal je maar overkomen. Er belt een man bij je aan die je komt vertellen dat je echtgenoot, de vader van je kinderen, is omgekomen bij een ongeluk dat hij bovendien zelf heeft veroorzaakt. Vanaf dat moment begint een proces dat zelfs Kafka niet zou hebben kunnen verzinnen. Een proces van jarenlange misleiding – er is geen ander woord op van toepassing. Dat heeft een proces in gang gezet dat ons allen, als vertegenwoordigers van de overheid, diep moet raken, en waarvoor wij ons allemaal, dus niet alleen de mensen bij Defensie, diep moeten schamen.' Waarvan acte.

Het geeft tevens aan dat Spijkers met zijn gevecht tegen de windmolens (en daar is helemaal niets mis mee, zoals Nijeboer stelt, net zo min als er met de moraalridder Don Quichotte van La Mancha uit het verhaal van Cervantes iets mis was) heeft aangetoond dat de overheid zijn eigen belangen heeft en verdedigt en dat er een deugdelijk apparaat moet zijn om de burger daartegen te beschermen.

Duw degene die stelt niet bang te zijn voor controle en aantasting van zijn privacy omdat hij immers niets fout doet, het boek van Nijeboer door de strot. Hopelijk piept hij daarna toch net even een beetje anders. Dit is bovendien goed voor de verkoop en dat heeft het taaie spitwerk verdiend. Maar het is vooral hoopgevend dat één David een hele rij Goliaths tegelijk te lijf gaat.

Een man tegen de Staat, Alexander Nijeboer. Papieren Tijger, ISBN 90-6728-195-6, € 20,-.


14 februari 2007 Bericht geschreven voor Ravagedigitaal

In dienst van Nederland

In dienst van Nederland, in dienst van de wereld schreef de PvdA Tweede Kamerfractie voorop een nieuw rapport over Defensiebeleid in Nederland. In dienst. Het lijkt een variatie op het gereformeerde aandoende ‘Wereldwijd Dienstbaar’ dat het ministerie van Defensie gebruikte in de titel voor het beleidsplan 2008.

Het PvdA programma is niet gereformeerd, maar pragmatisch. Het wijkt in belangrijke mate af van het beleid van het ministerie van Defensie. In zijn voorstellen lijkt het beter te beseffen waar de grote problemen voor Defensie liggen dan minister Eimert van Middelkoop en zijn door de wol geverfde rechterhand staatssecretaris Cees van der Knaap.

Hoewel de kranten vooral wezen op de bezuinigingen op het grote materieel, blijkt eruit dat de PvdA Tweede Kamerfractie vindt dat meer middelen, meer verstand en meer zorgvuldigheid op het personeel los gelaten moet worden. Het moet afgelopen zijn met seksuele intimidatie en inwijdingsrites. De soldaat moet vanaf het begin gewezen worden op zijn rol als mens in de wereld, zorgzaam voor collega’s en mensen die hij bij uitzendingen tegen zal komen. De 'baas' moet beter voor zijn mensen zorgen.

Ook valt op dat de vervanger van de F-16, de Joint Strike Fighter, niet wordt genoemd.

Het snijden in dubbelingen in de organisatie en het afstoten van nauwelijks gebruikte grote wapensystemen moeten geld opbrengen. Dat moet aangewend worden voor het personeel. De reorganisatie dient ook om de krijgsmacht beter controleerbaar te maken. Want dat valt ook op in het PvdA epistel: Defensie wordt gezien als een organisatie die de vuile was binnen houdt en zelfs de Minister vaak niet voldoende informeert. Forse kritiek.

Bezuinigingen moeten nog een ander doel hebben en dat is efficiëntie bij inzet om vrede naderbij te brengen of de schending van mensenrechten tegen te gaan. Dit optreden wordt in fraaie PR-taal wederopbouw, noodhulp en crisisbeheersing genoemd. Soms is vaagheid troef.

De oorlogen in Afghanistan en Irak worden genoemd, maar wat mij betreft is de zin: “Op de terroristische aanslagen in New York en Washington volgden de oorlogen in Afghanistan en Irak,” wel een erg magere duiding ervan. Blijkbaar moet die uitleg mistig blijven, omdat men binnen de PvdA niet tot overeenstemming kan komen. Tegen oorlog is de PvdA niet, ze ziet de goede kanten ervan, maar noemt het anders, bijvoorbeeld "op oorlog gelijkende operaties".

Er wordt een harde keuze gemaakt in de eerste plaats voor personeel. Maar dat wordt meteen weer teniet gedaan door te kiezen voor een interventionistische krijgsmacht. De uitzendingen zijn immers de grootste aanslag op het personeel.

De partij had meer indruk gemaakt als ze keihard had gekozen tegen Afghanistan, tegen kernwapens (ze willen de Nederlandse kernwapentaak wegens praktische bezwaren niet verlengen, maar hebben geen principiële bezwaren tegen het gebruik) en tegen stand-off wapens (zoals kruisraketten).

Met de PvdA kan Nederland nog steeds deelnemen aan militaire operaties ver weg; aan oorlogen met kernwapens; en – dat is wel het meest bevreemdende zinnetje – "aan interventies waarbij nauw wordt samengewerkt met NGO’s soms zelfs afgedwongen."

Eerder Volkskrantblog 5 november 2007

maandag 10 januari 2011

Dienen in de vreemde?

“Nederlandse officier in Turks leger”, kopte vandaag de Telegraaf op haar voorpagina. Ergun Cetin, een jonge en inmiddels steeds bekendere marine officier (luitenant ter zee 2e klasse) moet zoals alle Turkse mannen zijn dienstplicht gaan vervullen in het Turkse leger. Tenminste als ze hun Turkse paspoort niet bij de vuilnis willen doen en alle rechten in Turkije verspelen (bijvoorbeeld erfrecht). Ze hebben wel de mogelijkheid om de dienstplicht in te korten tot een maand. Ze moeten dan bijna 6.000 euro betalen aan Turkije en krijgen dan in een maand een scholing over nationalisme, Ataturk en het groot Turkse rijk in Turkse militaire omstandigheden.

Turkse mannen zijn dan een maand weg uit Nederland, vrouw en schoolgaande kinderen blijven hier en het werk blijft het werk. Met andere woorden ze worden uit hun omgeving weggeplukt, omdat er GEEN afspraak bestaat tussen Nederland en Turkije. Bijvoorbeeld dat Turkse mannen die een Nederlands paspoort hebben, in Nederland geboren zijn en niet naar Turkije emigreren hoeven niet deel te nemen aan de het Turkse lange afstandsnationalisme. Want zo kan je het inlijven in het Turkse leger toch met een gerust hart noemen.

De marine heeft een regeling getroffen voor Ergun Cetin. Hij krijgt een renteloze lening om zijn afkoopsom voor te schieten en hij mag zijn dienstplicht in Turkije vervullen en zo kan hij zijn paspoort en rechten in Turkije behouden. “Andersom,” zou het volgens Cetim “ondenkbaar zijn geweest.” Een Nederlandse gastarbeider in Turkije met een dubbel paspoort, die zijn dienstplicht in Nederland afkoopt en dan nog een maand naar Nederland moet om geschoold te worden in kaas maken, de Canon van de Nederlandse geschiedenis en met een Diemaco over de Ginkelse heide te rennen. Sommige problemen doen zich niet zo snel voor.

Op pagina 7 van de Telegraaf kom ik nog een wel een probleempje tegen in verband met de tijdelijke transfer van mijnheer Cetin naar de Turkse troepen. “Offensief Turkije: Leger bestookt Koerden Noord-Irak”, is de kop op die pagina. Het ministerie van Defensie zegt dat de officier zijn paspoort niet zal verliezen. “Daarvan zou pas sprake zijn als een Nederlandse militair in oorlogstijd bij een vijandig leger zou gaan dienen”, aldus de Telegraaf. Maar is het wel fris om aan een dergelijke actie mee te doen, al is het dan door slechts te tijgeren in de eerste militaire vorming van datzelfde Turkse leger. Het Turkse leger voert al jaren op gewelddadige wijze een binnenlandse burgeroolog uit. Dan mag het blijkbaar wel.

De Turkse troepen vernietigden in de jaren negentig 3.000 Koerdische dorpen in Turkije. Koerdische partijen worden nog steeds aangepakt alsof er geen plaats voor een Koerdisch politiekgeluid is. De vrede is volgens ieder weldenkend mens niet gediend met het eigengereide optreden van Turkije in Noord-Irak. De Koerden leider Barzani stelt nu al dat er een reactie komt als bij de bombardementen Noord-Iraakse burgers worden gedood. Het samenstellen van een zwartboek over de rol van het Turkse leger in de afgelopen jaren is een niet al te zware opgave. In dat leger, weliswaar niet vijandig en evenals Nederland behorende tot de Noord Atlantische Verdrags Organisatie (NAVO), gaat een Nederlands marine officier dienen.

Kan dat wel? Heeft Chora de kloof tussen beide legers ook al op dit vlak gedicht?

Eerder Volkskrantblog 22 oktober 2007

vrijdag 29 oktober 2010

Slagveld Uruzgan

In Als een nacht met duizend sterren toont journalist Joeri Boom hoe ingewikkeld het is om de krankzinnige werkelijkheid van een oorlog te vatten. Zeker als daar militairen uit eigen land bij betrokken zijn, en voorlichters over je schouder meekijken.

door Martin Broek (geschreven voor Ravagedigitaal)

De titel Als een nacht met duizend sterren klinkt oosters, maar is afkomstig van Larry, de commandant van de Luchtmobiele compagnie in Chora, Afghanistan. Larry's manschappen en Afghaanse militairen vochten in de provincie Uruzgan drie dagen lang tegen een overmacht van Talibanstrijders. Het gaat bij de 'sterren' om explosies, mondingsvuur en lichtspoormunitie in de lucht.

Joeri Boom had de titel ook kunnen halen uit een interview met een militair op Kamp Holland die hem niet vertrouwt. Journalisten zijn er immers om militairen te naaien. Boom legt de man uit dat hij al zijn woorden voor publicatie eerst moest voorleggen aan de afdeling voorlichting van Defensie. De geïnterviewde militair reageert verbaasd: "Ze moeten met hun poten van mijn woorden afblijven."

Minder dichterlijk, maar wel een uitspraak die de lading beter zou dekken van een boek over oorlog, journalistiek, soldaten en Afghanen. Boom reisde in de periode 2006-2010 zes keer embedded, het onder de hoede van Defensie meereizen met de militairen en daar verslag van doen, mee met de Nederlandse troepen en verbleef twee keer onder de hoede van de gouverneur in Uruzgan. Hij was, voordat Nederland de ISAF-troepen naar Afghanistan stuurde, al vier keer eerder in Afghanistan.

Veld of bureau

Boom beschrijft zijn belevenissen vanaf zijn verblijf op Kabul Military Airport, waar gewacht moet worden op transport. Er zijn niet genoeg stoelen om de journalist en verse troepen naar de bestemming in Uruzgan te brengen. Dit wegens gebrek aan luchttransportcapaciteit, zo praat Boom de wapenindustrie en defensievoorlichters na.

Ik herinner mij een artikel uit die tijd in het militaire weekblad Defense News waarin werd betoogd dat er wél voldoende capaciteit was, maar dat dit rond Afghanistan inefficiënt werd ingezet. Mijn archief is sindsdien elders achter gebleven en ik kan het niet een-twee-drie nazoeken. Bureaujournalistiek of archiefonderzoek is minder spectaculair dan zelf met de militaire troepen op pad gaan of onafhankelijk te reizen door oorlogsgebied, maar kan ook de gangbare meningen en veronderstellingen bijstellen.

Ook in dit boek staan voorbeelden van bureaujournalistiek. Talibanleider Mullah Omar wordt vanuit boekenwijsheid met een B-potlood zacht grijs ingekleurd: 'Met een klein groepje getrouwen bevrijdde hij twee meisjes in een dorpje vlak bij Kandahar, die door een krijgsheer waren ontvoerd. Hij hing de krijgsheer op aan de loop van een tank. Vervolgens bevrijdde hij met zijn mannen een jongetje dat door een krijgsheer seksueel werd misbruikt'. Daarmee worden de scherpe zwarte kanten niet weg gegumd, maar zo'n alinea zet neer dat het absolute kwaad en het absolute goed niet bestaan. Die notie is zeker niet in een land, waar de strijd al zo lang en zo hevig woedt, onmisbaar.

Boom zal later zelf zo'n jongetje tegen komen. Hij is de seksslaaf van de commandant van een politiepost. De commandant werkt samen met de Nederlanders. We kunnen er niets tegen doen, zegt de Nederlandse commandant van het opbouw team (PRT). Zijn troepen zijn het daar niet mee eens en vinden dat je dergelijk misbruik niet toe kan laten. Ze zeggen het dan zelf wel op te lossen.

De PRT-commandant vreest een ruige aanpak door de Nederlandse soldaten en kiest eieren voor zijn geld. Hij haalt de jongen weg en brengt hem terug naar zijn ouders. Een ander jongetje van een hogere politie commandant wordt een paar dagen later gevonden met kogels door zijn lijf. Boom vermoedt dat de politiecommandant zo voorkwam dat de jongen naar de Nederlanders vluchtte. Het is een afschuwelijke petit story in een boek vol gruwelen. Bureau en veldwerk vullen elkaar hier naadloos aan.

Koffiezettende journalist

Het is niet alleen rottigheid, er zijn ook sfeertekeningen die me opvallen: 'De pantserwagen heeft iets gemoedelijks'. Want binnen in de pantserwagen hangt de geur van koffie. Alles aan het voertuig lijkt in de ogen van Boom onbeholpen en van speelgoed. De motor gromt vriendelijk; het is nog net geen teddybeerachtig brommen.

De journalist gaat hier van het geijkte pad af: de pantserwagen is geen wapentuig, maar een lobbes. Het is niet objectief afstandelijk, maar inlevend beschreven. Ik kan het hebben, omdat hier geen voorlichter aan het woord is of een Mat Herben, maar een journalist die zich verplaatst in zijn omgeving. Sterker nog, teksten als deze nemen me daardoor mee naar de soldaten, zonder dat ik het gevoel heb verneukt te worden door iemand die me voor hun kant wil winnen.

Niet veel later in het boek speelt het voertuig, de koffie en de 220 volt voor het waterkokertje weer een rol: 'Nu zoeken mijn handen werktuigelijk naar zakjes oploskoffie, zoals ik al vele malen heb gedaan, deze patrouille. We worden aangevallen en ik zet koffie. Maar goed dat ik niet in het leger ben gegaan. Als journalist ben ik trouwens ook niks waard. Geen idee wat het vuur aanricht in het dorp beneden'.

Het komt wel vaker voor in het boek dat Boom zichzelf over de knie legt. Dat zal hem wel scherp houden, maar nodig is dat meestal niet. Ook hier volgt de zin: 'De Nederlanders beantwoorden het Talibanvuur nu al bijna een kwartier met zware machinegeweren en mortieren en vuren recht het dorp in. Ik zie lichtspoormunitie verdwijnen in de richting van een groepje qala's'. [ommuurde Afghaanse huizen, MB]

Hij weet niet wat het vuur uitrichtte en of er burgers gewond door zijn geraakt of zelfs gedood. Boom breekt wel met het schone beeld en laat zien dat er hard gevochten wordt. En dat steeds opnieuw. Eén keer is een incident, twee keer is twee incidenten, maar alle incidenten die Boom bij elkaar beschrijft ontdoen het woord van zijn propagandistische kracht.

En die koffie? Ze zullen er wel over gegrapt hebben. Zo in de trant van: We hadden onze eigen schrijvende koffiezetter bij ons. Later in het boek noemt hij zichzelf al een meester-koffiezetter. Hij doet ook steeds meer gevechtservaring op. Dat zal hem van pas komen.

Weeïge geur van oorlog


Boom gaat op pad met het Nederlandse Operational Mentoring and Liason Team (OMLT). Het is de OMLT die het Afghaanse leger moet leren vechten tegen de 'taliban' (wat student betekent). Met hen wil Boom mee. Ook hier zoekt hij buiten de poort van Kamp Holland de gevolgen en uitwerking van de gevechten aan de andere kant. Ook nu weer beschrijft hij specifieke gebeurtenissen. Hij aanschouwt de kraters van de pantserhouwitser die van veertig kilometer afstand zijn 155mm granaten afvuurt. Dat zijn granaten met de doorsnee van een middelgrote pan.

Ik weet nog dat het Kamerlid Remi Poppe (SP), waar ik destijds voor werkte, schande sprak van de beschietingen die Boom hier beschrijft. Boom aanschouwt de effecten van de granaten die net boven de grond zijn geëxplodeerd. Boven de grond smoren ze niet in een krater, maar hebben de ruimte om zoveel mogelijk slachtoffers onder de strijders te maken. Dat gebeurt overigens wel in een woonomgeving; de muren dragen er de sporen nog van.

Op zijn laatste reis onder de hoede van de Nederlandse militairen ziet hij de granaten met eigen ogen inslaan. 'De granaat explodeert meer dan honderd meter van het doel. Opnieuw komt een pantserhouwitser-granaat aangieren. Ik duik in elkaar. Waar zal dat ding neerkomen? Zwarte rook en de dreun van een explosie, op veilige afstand. "En nog eens mis. Corrigeert iemand dat vuur, eigenlijk?", zegt de militair met de verrekijker'.

Dit klinkt en ruikt als oorlog. In Wikileaks-documenten lees ik over een misser op 50 meter. Met die misser is wel het doel vernietigd, rapporteren de militairen. Je zou de buurman zijn… Overigens mogen dergelijke projectielen militair gezien ruim naast hun doel vallen, omdat ze ook dan (gedeeltelijk) hun werk nog doen. Afwijkingen worden gemeten in het zogenaamde Circulair Error Probable (CEP): 50 meter voor een 155mm houwitser granaat is gebruikelijk. [Zie ook: The Year in Defense 2009 Review Edition, p. 89.]

Boom vertelt ook dat Afghaanse burgers opgeroepen werden hun huizen te verlaten tijdens de slag om Chora in Uruzgan. Maar ook hoe ze weer werden opgeroepen terug naar huis te keren. De Taliban zouden verdreven zijn. De volgende dag bombardeerde ISAF de huizen. Er waren Talibanstrijders achtergebleven die op de Nederlanders schoten. In een qala werden daarbij zes burgers, waaronder twee kinderen, gedood. Boom ruikt later de weeïge geur van lijken onder het puin.

Als embedded journalist toont Boom de oorlog wel van de andere kant. Zelf zegt hij dat hij in Afghanistan is geweest om te controleren of er gevochten wordt volgens de regels. Het is een opvatting van de taak van een journalist, er zijn er meer te bedenken. Het is wel een belangrijke, maar ze zou even goed de taak van een NGO kunnen zijn of een Afghaanse politieke organisatie, het bestuur etc.

Dilemma's

Boom's werk geeft mij meer dan een indruk. De halve ezel op het binnenterrein van het huis van een Afghaanse krijgsheer wordt een metafoor die bij mij makkelijker blijft hangen dan dertig doden. Het boek leest lekker spannend weg, maar creëert ook een genuanceerder en dieper beeld van die oorlog daar op 8.000 kilometer van hier. Hij vertelt een verhaal dat overkomt. Als journalist kan je meer willen, maar velen komen zover niet.

Naast een job als koffiezetter krijgt de journalist steeds meer taken toebedeeld. Boon wordt bijna een van de mannen. Hij jaagt gesprekken aan en biedt informatie over de politieke situatie in Afghanistan en Nederland. Ook een persoonlijk dilemma komt steeds dichter bij. Tijdens gevechtsoperaties zou hij zonder een geweer een blok aan het been van de militairen kunnen zijn, hoe zeer hij ook verklaart zijn eigen boontjes wel te kunnen doppen.

Hij krijgt les in het gebruik van een Diemaco geweer en Glock pistool. Zo kan hij zichzelf verdedigen, mocht dat voor zelfverweer noodzakelijk zijn. Pas als het zover is dat hij zichzelf moet verdedigen, krijgt hij ook echt een wapen in handen, zo spreken zij met hem af. Een op voorhand aangeboden Kalasjnikov wijst hij krachtig van de hand. Het is een werkbare afspraak.

Als ze een mogelijke verkenner van de Taliban pakken, blijkt de vriendelijke journalist onder druk zijn eigen principes te vergeten. De man weigert te praten. Waarom laten ze dat niet door het Afghaanse leger oplossen, denkt Boom even. Iedereen weet sinds de tv-uitzending van Reporter van begin oktober wat dat betekent.

Maar ga er maar aanstaan. Misschien ben je omsingeld door tientallen strijders en in groot gevaar. De gevangen man weet van de hoed en de rand en kent daarmee jouw situatie en de mogelijke gevaren beter dan jijzelf. Hem even helpen met praten, lijkt dan aanlokkelijk. Het is bijzonder eerlijk om dit op te schrijven en je niet boven jezelf te plaatsen. Je maakt je daarmee kwetsbaar en waarschuwt jezelf en anderen hierop bedacht te zijn.

Sympathieën

Zijn volgende nevenfunctie is wacht lopen samen met een militair, gevolgd door deelname aan een aanvalsactie. Is er bij een tegenaanval dan nog steeds sprake van zelfverdediging? Moet je als journalist niet juist mee om hier verslag van te doen? Wat als het Taliban zouden zijn geweest die Nederlanders aan gingen vallen? Dan zou Boom zich aan de operatie onttrokken hebben, zegt hij zelf. Hoe onafhankelijk is hij nog? In dit stuk van het boek staat de rol van de oorlogsjournalist die onafhankelijk wil zijn op scherp. Hij stelt zich daarover veel vragen.

Het dwingt ook mij om hier scherp over na te denken. Thuis aan de eettafel. Dat wel. Het boek is nu spannend. Is het oorlogsromantiek waar ik me op verantwoorde wijze mee verlekker of gaat het echt ergens over, zoals ik wil denken. Die mannen waar Boom mee op pad gaat, worden zijn kameraden. Hij beschrijft ze met gevoel. Harde kerels worden mensen. Ze maken wrange en zieke grappen over Afghanen. Zo gaat dat, denk ik tijdens het lezen.

Is het erg dat ik sympathiseer met deze mensen? Nee, het verstevigt mijn mening dat een militair die buiten zijn boekje gaat weliswaar aangepakt moet worden, maar een soldaat gaat op pad met een politiek mandaat en opdracht. Je moet een militaire of militaire operatie niet op het niveau van de individuele soldaat beoordelen, maar op het niveau van de verantwoordelijken hoger in de keten van besluitvorming. Je kan er beter over schrijven als je mee gaat. Echter als je hetzelfde doet met de 'vijand', om aan als objectieve journalist de andere kant van het verhaal te beschrijven dan wordt je hard aangepakt. Het leger stelt scherpe grenzen aan de onafhankelijkheid.

Het belangrijkste dilemma is het al dan niet accepteren van dat wat bij controle door voorlichters sneuvelt. Hier noemt Boom de meest wezenlijke kritiek op embedded journalism; je broodheren bepalen wat operationele informatie is die geschrapt moet worden uit artikelen, radio- en tv-programma's. Vaak hoeven ze daarvoor niet eens wat te doen. De journalist gaat er al rekening mee houden tijdens het schrijven, rapporteren of filmen. Hij is immers bang de volgende keer niet mee te mogen naar Kamp Holland of uitgesloten te worden van die ene missie die mooie beelden of verhalen oplevert.

Ook Boom maakt zich er aan schuldig. Het komt ook voor dat hij er lak aan heeft en naar de redactie stuurt wat hij verantwoord en nodig acht. Het zijn spannende episodes in het boek, maar ook duidelijke waarschuwingen voor de valkuilen die er zijn. Die waarschuwing lijkt gericht op collega-journalisten, maar is ook een waarschuwing aan de consumenten van oorlogsnieuws: er is vaak sprake van passieve en actieve censuur.

De 'mannen'


Boom bouwt zijn beeld van de oorlog niet alleen op rond gewapend 'spektakel', maar ook met sferen, geuren, gesprekken, overwegingen, voettochten en mensen. Die soldaten zijn niet alleen Joeri's stoere kameraden. (Als hij in Nederland hoort van een hinderlaag met Nederlandse doden informeert hij via Hyves gelijk naar zijn maten van het OMLT.) Het zijn ook mensen waar de twijfel uit spreekt als er bommen zijn gegooid op vluchtelingen, terwijl de man in uniform vol probeert te houden dat het Taliban waren: "Wij doen zo iets niet."

De gesprekken die Boom met de soldaten op missie voert gaan over van alles. De zenuwen zijn constant tot het uiterste gespannen. Jij die een van ons bent geworden, wat zou je doen als wij een dorp uitmoorden, willen de militairen van hem weten. Zijn antwoord draait niet om de hete brei heen: 'Ik schrijf alles op, met naam en toenaam'. Dat is niet alleen goed omdat het een moreel ethische verplichting is. Het is ook goed omdat je daarmee laat zien dat je eerlijk bent, op je woord te vertrouwen. Geen diplomaat, maar een kerel (m/v). Een dergelijke opstelling betekent ook dat je meer te horen krijgt. Als je een van hen bent, hoor je ook de klachten.

De soldaten klagen erover dat naar buiten toe wordt gedaan alsof het om een opbouwmissie gaat, terwijl zij steeds moeten vechten. Ook de opbouwers zelf klagen. Zo krijgt Boom een e-mail van een PRT-medewerker (Provinciaal Reconstructie Team). Hij schrijft aan zijn baas: 'Op dit moment ben ik al drie maanden hier en het enige contract dat ik uit TK [Tarin Kowt met Nederlandse basis] gekregen heb is de verlenging van een lopend contract. (…) Natuurlijk snap ik dat de papierwinkel in TK ook moet draaien, en dat er tientallen officieren hiermee het dagelijks brood voor hen en hun familie verdienen (…) Die hele papierwinkel, inclusief de acht handtekeningen van diverse functionarissen eronder, draagt uiteindelijke helemaal niets bij aan de eindoverwinning. Ook niet een beetje.' Zo’n briefje zegt alles. De ironie, het harde oordeel en de frustratie. Het is het beeld van een militair die wel wil, maar niet kan en mag.

Er is ook afkeer van de gevechten. De militair die een tegenstander doodde en alleen aan de journalist (die zou toch weer vertrekken) vertelde hoe hij zich voelde. "Als ik geweten had dat het zo walgelijk zou zijn, zou ik een ander beroep gekozen hebben." Zelfs aan zijn partner wil hij het niet vertellen. Post Traumatisch Stress Syndroom (PTTS) schiet me bij het lezen van deze passage gelijk in het hoofd. PTTS is de moordenaar die jaren huwelijken kapot maakt en mensen sloopt. Iemand die niet praat is eerder zelf slachtoffer van het syndroom. Het maakt me beroerd om dat te beseffen.

Unembedded

Buiten de kazerne onderdak vinden in Uruzgan is niet gemakkelijk. Boom en zijn fotograferende collega Jeroen Oerlemans proberen het eerst bij Abdul Khaliq 'Mudjahid' stamleider in de Chora vallei en tevens parlementslid in Kabul. De man ziet er de waarde van in, maar er zijn ook bergen moeilijkheden. Na een eerdere toezegging gaat een verblijf onder zijn hoede toch niet door.

Als Boom en Oerlemans uiteindelijk onderkomen hebben gevonden bij Assadullah Hamdan, de gouverneur van Uruzgan, kan de journalist verder met zijn onderzoek naar de aanleg van een verkeersweg, die geen onverdeeld succes blijkt te zijn. De beheersing ervan levert geld op en de strijd erom loopt hoog op. De verkeersweg draagt ook bij aan corruptie en de versterking van de positie van Matiullah Khan, een bekend mensenrechtenschender en de belangrijkste uitbater van veilige doorgang.

Toen Boom eerder nog embedded over de man schreef, werd het stuk uit zijn artikel geschrapt op grond van operationele overwegingen. Zijn oordeel hierover luidt: 'Dat het de voorlichters slecht uitkomt dat bekend wordt dat de Nederlanders samenwerken met een misdadige krijgsheer is logisch, maar door dat uit mijn stuk te verwijderen onder verwijzing naar operationele veiligheid schenden ze de afspraken met de pers. De ingreep lijkt bedoeld om de missie acceptabel te houden voor het Nederlandse publiek. Dat is een politiek doel'.

Hij laat de kritiek op Khan staan en stuurt het stuk naar de redactie van de Groene Amsterdammer. Defensie moest reageren. Even was de in het Communicatieplan Uruzgan verwoorde 'regie van de media-inzet' de Defensievoorlichting uit handen geglipt. Een journalist die de censuur aan zijn laars lapte omdat die in zijn ogen niet terecht was. Boom beek even geen acteur die in het mediastuk van Defensie op wilde treden. Sterker nog, het lijkt er op dat het feit dat voorlichters hem dwars zaten een impuls was om verder te zoeken.

Redactie


Boom zoekt ook naar de achtergronden van een militaire inval in een ziekenhuis. Dat is een schending van het oorlogsrecht. Het wordt aan alle kanten ontkend, maar stukje bij beetje wordt die ontkenning van zijn kracht ontdaan. Dat er aan Nederlandse kant niemand is bestraft na een zo ernstig vergrijp, gaat er bij de Afghaanse artsen maar moeilijk in: "En dat in een democratie als die van jullie." Het zal het vertrouwen in de Nederlanders niet groter maken. In het boek van Boom zijn beide kwesties prachtig en stap voor stap beschreven. Beide voorbeelden geven aan dat de oorlog anders is dan de voorlichters ons willen doen geloven.

Op de redactie van de Groene Amsterdammer worden geen kritische vragen gesteld, schrijft Boom. Dat vind ik opmerkelijk. Hoe kan je oorlogsverslaggever zijn voor een intellectueel weekblad, terwijl er geen ruggesteun is georganiseerd vanuit de redactie? Die ruggesteun kan bestaan uit kritisch commentaar, vragen, luisteren e.d., een soort debriefing, maar ook uit een collega die op een minder spectaculaire wijze de oorlog volgt en wijst op leemtes in de verslaglegging en vragen oppert die er zijn. Een soort journalistieke buddy.

Als Boom zaken uit een radio-interview weglaat, omdat hij de Defensievoorlichting in zijn nek voelt hijgen, dan zou hij daarnaar gevraagd moeten worden. Het maakt niet alleen het redactionele beleid sterker, maar je journalist ook minder kwetsbaar om blinde vlekken te ontwikkelen. Het is bovendien goed om er boven op te zitten als iemand halsbrekende toeren uithaalt. Ook journalisten kunnen zich in de oorlog verliezen.

Boom mepte een keer van zich af in een Amsterdams café. Voor zover ik hem ken, vind ik dat niet bij hem passen. Het lijkt me eerder iemand die met een gulle lach en een mooie opmerking deëscaleert. Voor hem is het duidelijk dat hij na het kroeggevecht over zijn eigen grenzen is gegaan.

Oorlog dichtbij

Ontdaan leg ik het boek weg als ik een flink stuk gelezen heb, en ik vraag me af waarom. Dat er flink gevochten is in Afghanistan wist ik al langer. Dat het een militaire operatie betrof waar de opbouw ten eerste een contraguerrilla doel heeft en dat er alleen maar meer Talibanstrijders bij zijn gekomen in de loop der jaren ook. Bovendien had ik een groot deel van de tekst al gelezen in de Groene Amsterdammer.

Mijn emotie heeft te maken met de journalist die met zijn grote hoeveelheid tekst de oorlog van zeer dichtbij, menselijk, vol twijfel, maar toch met grote daadkracht volgt, overdenkt en beschrijft. Uruzgan komt dichtbij; ik proef de oorlog in al zijn heroïek en narigheid. Het is zo'n boek dat je met een rot gevoel weglegt en juist dáárom moet lezen.

Waar ik geen antwoord op heb gekregen is waarom het overgrote deel van de pers tevreden lijkt te zijn met enkel een embedded indruk. Honderden journalisten zijn er geweest en slechts negen (waarvan drie vrouwen) unembedded. Maar hoewel Boom terecht zeer kritisch is over het embedded naar de oorlog gaan, vind ik het boek er eerder wel dan niet voor pleiten. Als het goed en met empathie gebeurt dan levert het informatie op die voor een oordeelsvorming over de oorlog van belang is.

Waar de grens ligt als het gaat om beperkingen, het frustreren of censureren van je werk is een journalistieke afweging. Een afweging die iedere journalist moet maken. Los daarvan moet het niet alleen blijven bij aan het handje lopen. Een stevige controle van de Haagse politiek, het duiken in archieven, het lezen van vakbladen, het doorspitten van documenten en zeker ook onderzoek doen zonder bemoeienis van Defensie of overheid in het oorlogsgebied zijn hierbij onmisbaar.

Als een nacht met duizend sterren levert inzicht in de afwegingen van één journalist. Een boek met een beschouwing van de overwegingen van een deel van de journalisten die embedded al dan niet buiten de kazernepoort keken, zou op dit boek een mooie aanvulling zijn.

Zaterdag 30 oktober 2010 besteedt radioprogramma Argos aandacht aan Afghanistan, de oorlog en de onderzoeksjournalistiek. 12:15-13:00 uur op Radio 1.


Als een nacht met duizend sterren, oorlogsjournalistiek in Uruzgan, Joeri Boom,
Podium, 2010, 9789057593710, paperback, 353 pg., € 21,50

vrijdag 9 oktober 2009

Tweedehands wapens

Bij wapenhandel denkt menigeen aan mannen met donkere zonnebrillen en zwarte BMW’s. In Nederland zit dat heel anders. Daar zijn de grootste wapenhandelaars ambtenaren op het ministerie van Defensie. De Nederlandse overheid is al sinds jaar en dag de belangrijkste wapenhandelaar van dit land. De Schelde en Thales vallen hierbij vergeleken in het niet.

Een ambtenaar van Economische Zaken op een vergadering van een belangen organisatie voor de defensie-industrie “relativeerde overigens de positie die Nederland volgens het Zweedse SIPRI inneemt op de internationale ranglijst van wapenexporteurs. De genoemde vijfde plaats is wat hem betreft vooral het gevolg van het doorverkopen van tweedehands materieel.” Dat is een vreemde uitspraak. De overheid is niet in de eerste plaats een wapenexporteur, maar wie handelt in wapens met buitenlandse klanten zou je zo toch een wapenexporteur moeten noemen. Het zal wel kinnesinne zijn dat niet Economische Zaken maar Defensie hier de eerste viool speelt.

De overheid als wapenhandelaar heeft een voordeel; alles is uitermate overzichtelijk opgeschreven. Zodat je precies weet wat ze in de aanbieding heeft. Daarmee zijn de Kamerstukken ook verkoopfolders voor potentiële klanten.

Veel staat in het Materieelprojectenoverzicht (MPO) dat jaarlijks wordt gemaakt. Op prinsjesdag verscheen de versie voor 2009. Op pagina 106 en verder staan de wapens die voor afstoting in aanmerking komen met foto, relevante Kamerstukken en alles wat je wilt weten in een oogopslag op een pagina. Nou ja net niet alles. Het zou handig zijn als van verkochte wapens ook de opbrengst werd genoemd.

Wil je een beknopter beeld van de kraam met wapens die Nederland in de verkoop heeft? Dan is pagina 88 van de Defensiebegroting een uitkomst. Ook al zo’n prinsjesdag stuk. Een half A-4 met daarop alle typen en aantallen vliegtuigen, tanks, houwitzers, pantservoertuigen die in de verkoop zijn. Ook de net aangekochte pantserhouwitzers staan er al weer op.

Het wordt nu opletten wie die wapens gaat kopen, vooral de Fokker vliegtuigen (2 militaire vrachtvliegtuigen en twee maritieme patrouille vliegtuigen) kunnen zomaar verdwenen zijn, omdat de baas van de wapenfirma aan Het Plein in ’s Gravenhage er met zo min mogelijk gedonder en tegen de hoogste prijs van af wil. Zo gingen in het verleden ook al zogenaamde niet-strategische wapens naar de vreemdste plaatsen.

Op dinsdag 6 oktober komt de wapenhandel aan de orde in de Tweede Kamer. Ik ben benieuwd of deze verkoopfolders ook aan bod zullen komen. Anders kan het altijd nog bij het debat over de Defensiebegroting in november meegenomen worden, maar daar is het aanbod aan onderwerpen om de degens met de bewindslieden over te kruisen vermoedelijk al tamelijk groot. Het blijft een vreemde zaak dat de overheid wapenhandelaar en tegelijkertijd controleur van de wapenhandel is. Dat is twee handen op een buik.